Meppel, Grote
of Mariakerk
Informatie over de kerk
Bron: Nico Verrips; Het
orgel in de Grote kerk van Meppel
Concerten
Discografie
Foto links: Bert Kiewiet.
Foto's oude situtatie 01, 02 vanuit http://www.kerkeninbeeld.nl
Voorgeschiedenis
1516
Uit een stichtingsbrief uit het jaar 1516 weten we dat in de toenmalige kapel een orgel
aanwezig was. Elke zaterdagmorgen tijdens de vroegmis deden twee priesters dienst en
bespeelde de schoolmeester-organist het orgel. De grootte van dit orgel en dispositie is
ons niet bekend, waarschijnlijk was het een klein, éénklaviers instrument met een gering
aantal stemmen.
1626
Wat er met dit orgel is gebeurd is niet bekend, misschien is het door de soldaten
vernield toen deze van 1626-1628 in de kerk gelegerd waren.
1664
In 1664 werd het salaris over 3 jaar en 3 maanden uitbetaald aan de organist Willem
Leemcuyl. (1266,-). Er heeft dus een orgel in de kerk gestaan rond deze tijd maar of dit
hetzelfde instrument was als dat van 1516 is niet meer te achterhalen.
1700
Rond 1700 ontwaakte er bij de kerkgangers het verlangen een goed orgel te bezitten om
het zingen van de kerkgangers te begeleiden.
De bouw van het huidige orgel
1700-1711
In het jaar 1700 ontving het gemeentebestuur van kerkelijke zijde het verzoek een
nieuw orgel te bouwen in de Mariakerk. Uit dit verzoek blijkt dat het in die tijd
gebruikelijk was dat de overheid beslissingen nam in kerkelijke aangelegenheden, een
gebruik dat tot 1886 voorkwam. Het gemeentebestuur verzocht de elf "rot-meesters"
(een "rotmeester" is het hoofd van een bepaalde stadswijk/rot) hun oordeel
hierover te geven. Alle stemgerechtigde inwoners van elk rot werden op 8 januari 1700,
tijdens een bijeenkomst in de Mariakerk geraadpleegd. De uitkomst van deze stemming was
als volgt. 7 "rotmeesters" stemmen voor aanschaf van een nieuw orgel, mits de
gelden gevonden zouden worden zonder de ingezetenen extra te belasten, 2
"rotmeesters" wilden eerst de kosten weten, 1 stemde tegen de aanschaf van een
nieuw instrument en 1 "rotmeester" onthield zich van stemming. Daarop besloot
het gemeentebestuur dat het orgel er zou komen en dat het betaald zou worden uit de
gemeentekas. Een hiervoor ingestelde commissie onderzocht de financiële mogelijkheden en
ontwierp plannen voor de bouw van een groot en een klein orgel. (Waarschijnlijk wordt hier
een orgel met hoofd- en rugwerk bedoeld). Deze commissie had ruim tien jaar(!) nodig om
tot een oplossing van de financiële consequenties te komen, want pas in 1711 had men de
zaak rond. Aan verschillende orgelbouwers (waaronder waarschijnlijk Arp Schnitger) werd gevraagd
offerte uit te brengen. In een bijlage is meer informatie te
vinden omtrent de aanbesteding van de bouw.
1712
In januari 1712 werd met algemene stemmen besloten tot de bouw van een 'bequaem'
orgel, hetgeen uit de gemeentekas zou worden betaald zonder de burgerij extra te belasten.
Na meermalen in Friesland het werk van verschillende orgelbouwers te hebben bezichtigd,
besloot men de Friese orgelmaker Jannus Harmannus Kamp (Jan Harmens Kamp of Camp) uit
Berlicum de bouw van het "bequaeme" orgel op te dragen. Voor de somma van f
1600,- zal Kamp een orgel leveren met twee handklavieren en aangehangen pedaal. We weten
dat Jannus Harmannus Kamp uit een orgelmakersfamilie stamt. Zijn vader, Harmens Jansz.,
bouwde verschillende orgels in een vrij traditionele trant. Ook Jan Harmens bouwde aan het
einde van de 17e eeuw nog orgels die aan het begin (en midden) van deze eeuw in zwang
waren. Het werk van deze familie Kamp was sterk geïnspireerd door de orgels van de
orgelbouwer Baders uit Leeuwarden. Orgels door Kamp gebouwd vinden we o.a. te Boxum
(alleen de kas), Workum (1697) en waarschijnlijk dat van Sloten. (Zie: Friesche
Orgelpracht, Jan Jongepier, uitgave: Boeijenga, Sneek). Uit een brief van van 17 juli 1712
van de schout Schickhart aan J. Harmens blijkt dat ook Arp Schnitger gevraagd was een
offerte in te dienen voor Meppel. Ook Jannes Radeker heeft een offerte ingediend. In het
archief zijn in het totaal 6 bestekken bewaard gebleven.
1713
Op 13 oktober 1713 ontving Jan Harmens de 1ste termijnbetaling, zijnde f 606,- waaruit
blijkt dat hij in dat jaar met de bouw van het "bequaeme" orgel is
begonnen. Hoe vlug het werk vorderde kunnen we aflezen uit de data waarop aan Kamp een
bepaald bedrag werd betaald. Hier volgen de ons bekende data:
1714 mei 1714 f 50,00
november 1 100,00
1715 mei 1715 f 244,00
oktober f 225,00
1716 maart 1716 f 10,00
juli f 250,00
Het resterende bedrag zou hem na algehele goedkeuring van het orgel worden uitbetaald. Jan
Harmens Kamp was dus in 1716 zover gevorderd dat het orgel gekeurd kon worden. In een
vergadering van 24 maart besloten de Volmachten van de stad te zoeken naar "een
bequaem orgelist, orgelmaeker of selfs twee orgelisten teneinde het orghel tot Meppelt op
te nemen".
1716 1e keuring
Deze eerste keuring werd verricht door de Deventer organist Nic. Berff. Aan het
keuringsrapport, gedateerd 1 april 1716, ontlenen we de volgende gegevens:
Echo 8'
Octaaf 4'
Quint 3'
Blokfluit 2'
Nasat 11/2'
Rugpostijf
w.g. N. Berff, 1 April 1716".
Jan Harmens wordt meegedeeld dat het orgel niet eerder aanvaard zal worden dan na herstel
van de in het rapport genoemde gebreken.
1717 2e keuring
Bij deze keuring, verricht door Hendrik Laageman uit Amsterdam, komen eerst goed de
gebreken aan het licht van het 'bequaeme' orgel. Aan het rapport van Laageman ontlenen wij
de volgende gegevens:
w.g. Hendrik Laageman. 13 juni 1717".
De volmachten, die zich voor het gemeentebestuur moesten
verantwoorden, brachten dit vernietigende rapport van Laageman ter kennis van Jan Harmens
en verzochten hem alle gebreken op eigen kosten te herstellen. Bovendien hadden zij genoeg
gekregen van zijn uitvluchten en omdat zij niet van plan waren nog langer te wachten op
een algehele afwerking dachten zij er sterk over een andere orgelbouwer te raadplegen.
".....aale schaden en costen op hem te verhalen waarover hem mr. Jannes Mermannus
in Vriesland niet gedenkende na te loopen en om van hem niet langer ongeleijnd of met
woorden gepaijd te worden, doch door desen hem verders afvragen, of alhier domiciluim
citandi wil stellen en annemen hetgene in cas van discrepantie door den Richter alhier sal
gewesen worden te willen nakomen....".
Op 23 juli 1717 schrijft Jan Harmens aan de reeds benoemde organist, Luicas
Muijselaar, de volgende brief:
"Monsr. Luicas Muijselaar,
Schoolmeester en Organist tot Meppelt.
Waerde vrind, Ick doe Ue: door desen versoeken als dat ghij' belieft bekent te maeken aen
de Burgemeesters dat ick een stuck werck onder handen hebbe gekregen alhier in de
provincie op het Bilt aen St. Jacobs Kerek dat ten eersten moet gemaeckt worden also de
Heeren nogh een maent gelieve te toeven en dan sal ick komen om het werck te verbeteren
dat het van goede eerlicke menschen voor goed gekeurd worde hier toe mij verlaete en
verblijve ondertusschen,
Ue goedgunstige vrindt,
w.g. J. H. Kamp. mr. Orgelmaeker"
In een schrijven van 25 september 1717 wordt Hendrik
Laageman voor de tweede maal verzocht het orgel te komen keuren. Laageman verzoekt uitstel
tot Pasen (1718) i.v.m. het invallen van de winter.
1718
Of deze tweede keuring in het voorjaar van 1718 heeft plaats gevonden weten we niet
met zekerheid, wel weten we dat Volmachten van de stad Meppelt Jan Harmens verzoeken spoed
te maken met de herstelwerkzaamheden. (Brief van 26 juli 1718) Hierop reageert Jan Harmens
direkt (28/7) en bericht dat de gebreken hersteld zijn zodat het orgel opnieuw gekeurd kan
worden.
Derde keuring
Laageman verricht voor de tweede keer de (derde) keuring en kan alleen vaststellen dat
de gebreken niet zijn hersteld. Bij deze keuring was de orgelbouwer door ziekte verhinderd
aanwezig te zijn:
"Mijnheer H. Schikhart, Scholtes tot Meppelt.
Mijn heer, ick doe Uc: door deesen bekent maeken tot groote droefheit van mij dat mijn
Vader Jan Harmens Mr. Orgelmacker seer gevaerlick krank leit niet weetende hoe de groote
Oodt met hem versien heeft alsoo mijn Vader niet op geseijde tijt kan komen om het oorgel
op te nemen en ingevallen het ten quaesten komt uyt te vallen dat Godt de Heere een ijnde
aen Sijn E. Leeven quam te maeken 500 sal ick persoon overkoomen en met Ued: spreecken en,
500 hij wederom tot gesontheit komt hetwelk ick verhoope soo sal men Ued: een veertien
daagen vooraff kennisse geven wanneer mijn Vader in stact is dat hij selfs bij Ued: kan
Koome versoeke dat Ued: hier van kennisse beleive te geeven aen de Heeren Burgemeesters
hier meede ijndigende verblijve altoos
Ued: onderdanige en Dw. Dienaear
J. Kampen 1718
Belcum den 28 augustus 1718".
Aldus de brief van de zoon van Jan Harmens aan één der Volmachten van de stad Meppel
waarin hij de ziekte van zijn vader bericht.
1720
Eerst in 1720 komen we weer berichten tegen betreffende de werkzaamheden aan het
"bequaeme" orgel; of Kamp aldoor ziek is geweest of dat er een andere
reden is geweest waardoor de werkzaamheden hebben stil gelegen is niet bekend. Op 13 april
werd Kamp gesommeerd het orgel af te bouwen daar anders de gebreken op zijn kosten
hersteld zouden worden (door een andere orgelmaker). Kamp belooft spoedig te zullen komen
om het geheel nu werkelijk af te werken. Op 7 oktober 1720 wordt weer tot keuring besloten
maar Jan Harmens kan, wegens ernstige ziekte, niet aanwezig zijn. De keuring wordt
uitgesteld.
1721
Op 8 januari 1721 overleed Jan Harmens Kamp zonder het orgel geheel voltooid te
hebben. In een aandoenlijk schrijven van Kamp jr. worden Volmachten hiervan op de hoogte
gebracht. Behalve deze mededeling had dit schrijven ook nog een zakelijke kant. Kamp jr.
spreekt over geleden schade van f 1200, en brengt tevens de volmachten onder de aandacht
dat er nog een tegoed is te innen van de aanneemsom. Daar Kamp jr. niet persoonlijk naar
Meppel kan komen om deze zaak te bespreken, verzoekt hij hen van dit schrijven goede nota
te nemen en voor een coulante afhandeling zorg te dragen.
Hier volgt de desbetreffende brief:
"Mijn Heer,
Mijn Heer, ick wil niet twijffele off UED: sult mijn Mecieve van de 23-8 ber. 1720 wel
ontvangen hebben op ordre mijn Vader en tot Antwoord op UFd: Mecieve van den 13-8 ber.,
waer in ick gemeld hebbe de Swackheit van mijn Vader door die Reise van Meppelt
veroorsaeckt en heeft sedert dien tijt geen gesontheit gehadt en heeft gesuckelt tot het
ijnde van sijn Leven alsoo het God al-machtig heeft belieft mijn lieve- en seer beminde
Vader op te ijsen uijt dit bedroefde Tranendal tot een overgangh in een Eeuwighduierende
gelucksaligh leven op den 8 januarus 1721, 500 hebben ick niet kunnen naelaeten, om UEd;
door deeser doen van kennisse te geeven en hadde alle seer en verpligt geweest om het
selve te doen maer hebbe het niet eerdre kunnen doen om reeden van Swackheit en
moglickheit dien ick in mi~n W. vaders Boedel hebben gevonden en gesien dat mijn W. Vader
soo veel schaede heeft geleden aan het orgel tot Uwent gemaeckt sal wel bedraege
Twaleffhondert guld. Alsoo sijn naelaetenschap seer slegt hebbe bevonden tot mijn en mijn
beijde susters leedwesen en alsoo nogh ongeveer tweehondert vijftigh car. gulden bij UEd:
te goede sijnde en het bedongen werck waere voldaen. Soo is ons aller versoekt seer
ootmoedelick oft UEd: voor ons niet bij de Heeren kante wege bringen dat wij boven
genoemde soma 500 veel min off ten deele als de Heeren ons believen toe te leggen kan
overmaecken en ick will hopen dat de Heeren die goetheit voor ons sullen hebben om ons
verzoek te voldoen ick soude selfs bij UEd: over hebbe gekomen om met UEd: ende Heeren te
spreecken maar mijnbedieninge laet niet toe om buijten de provinsie te gaen alsoo haer Ed:
Hoog: ten Admiraliteit hebben aengestelt tot Harlingen op het Cantoor van de Convoijen als
Contrarolleurs enz. enz.
Jan Kampen. 1721
Harlingen 18 april 1721".
Rudolf Garrels
De onbevredigende gang van zaken bij de bouw van dit orgel, was blijkbaar ook tot de
buitenwereld doorgedrongen,
aangezien Rudolf Garrels, orgelmaker te Groningen, in een schrijven van 25 juni 1718 aan
het stadsbestuur te Meppel terloops naar "... de constitutie vant orgel aldaer tot
Meppelt" informeerde. Hij herhaalde dit schrijven van aanbeveling op 19 oktober
1718. Het is niet bekend of het stadsbestuur heeft gereageerd op deze brieven, het is niet
waarschijnlijk, want verder komen we de naam van Garrels niet meer tegen in de archieven.
Door de dood van Jannus Harmannus Kamp waren de Volmachten genoodzaakt een doeltreffende
oplossing te zoeken inzake de verdere bouw van het orgel. In een vergadering van 29 mei
1721 werd besloten een orgelbouwer te ontbieden. "....daartoe een orgelmaker
sullen ontbieden en met denselve ten minste prise over het volstrecken (afwerken) van het
orgel soecken te accorderen, onvermindert des Carspels recht tegen gemelte Erfgenamen, (de
erfgenamen van Jan Harmens worden hier bedoeld) so wanneer meerder moste betaelt worden,
als hij het Carspel dieswege nog te goede Is.....".
De ontboden orgelmaker bleek niemand minder te zijn dan de beroemde orgelmaker Frans
Caspar Schnitger die net het grote orgel in de Michaelskerk te Zwolle had voltooid.
Schnitger stelt op 24 juni 1721 het volgende voor:
"....dat int manuaal (hoofdwerk) een nieuw secreet sleeplade (i.p.v. de springlade
van Kamp) met een nieuwe registratuire en abstractuire sal gemacekt worden, neffens een
nieuwe dulciaan sestijn voet dat een basse en tenor gravietelits en lievelijek koomt...".
Het werk wordt aan Schnitger opgedragen voor f 650,-. "....so niet minder dan voor
dit bedrag......"
Op 11 november wordt aan Schnitger f325,- betaald zodat we mogen aannemen dat
Frans Caspar op die datum is begonnen met de werkzaamheden. (of er reeds mee bezig was).
1722
Volmachten van de stad Meppelt richten voor de derde keer een verzoek aan Hendrik
Laageman het orgel te komen keuren doch deze bedankt voor de eer nogmaals naar Meppel te
komen. (schrijven van 18 april 1722).
Vierde keuring
Daarop wordt de bekende organist van de Martinikerk in Groningen, Petrus Havingha,
verzocht de keuring te verrichten.
Havinga legt zijn bevindingen vast in een keuringsrapport d.d. 8 mei 1722. Hieruit citeren
wij o.m.:
De Rugpositifs en Borstpositifs laden zijn passabel, doch niet soo als de manuaalladen, 't waer wenselijck, dat al tesamen uijt eenen hand gemaeckt was, soo soude het een geheel goet en beter werck sijn geworden.
w.g. Petrus Havingba, 8 mei 1722".
Op 9 mei 1722 werd aan Frans Caspar Schnitger het resterende bedrag ad. J 325,-
uitgekeerd.
De dispositie van het orgel, na de aflevering door Schnitger, laat zich aan de hand van de
archieven recapituleren:
| Hoofdwerk | Rugwerk | Borstwerk | Pedaal | |||
| Prestant | 8' | Gedekt | 8' | Echo | 8' | Aangehangen |
| Octaaf | 4' | Prestant | 4' | Octaaf | 4' | |
| Octaaf | 2' | Octaaf | 2' | Quint | 3' | |
| Ruispijp | II | Sifflet | 1 1/2' | Blokfluit | 2' | |
| Mixtuur | III | Scherp | IV | Nasat | 1 1/3' | |
| Cymbel | III | Fluit does | 4' | |||
| Holpijp | 8' | Quint | 3' | |||
| Open fluit | 4' | Woudfluit | 2' | |||
| Quitadeen | 8' | Sexquialter | II | |||
| Nasat | 3' | Dulciaan | 8' | |||
| Dulciaan | 16' | |||||
| Trompet | 8' |
Koppelingen: I-II-III.
In deze voltooide toestand is het orgel ongeveer 90 jaar lang gebleven.
1810
In de notulen van de kerkvoogdij voor het eerst weer enige gegevens betreffende het
orgel. In dat jaar heeft er een reparatie plaatsgevonden, uitgevoerd door de orgelbouwer
J. C. Scheuer uit Coevorden. Waarschijnlijk betreft het hier een kleine reparatie; het is
niet meer na te gaan wat er aan het orgel is gebeurd. We vinden in de notulen van de
kerkvoogdij steeds weer data en jaartallen die ons verder helpen met de geschiedenis van
het orgel.
1811
Aan Scheuer een bedrag van! 130,- uitbetaald voor werkzaamheden aan het orgel.
1813
Scheuer verricht een reparatie, maar we vinden in de notulen geen duidelijke
aanwijzingen over wat er toen aan het orgel is gebeurd. Groot is deze reparatie niet
geweest gezien het bedrag aan Scheuer betaald f 16,-. Ook de balgentreder wordt niet
vergeten, aan hem wordt ook een bedrag betaald voor het balgentreden tijdens het stemmen
van het orgel. Betreft het hier misschien alleen een stembeurt?
1815
Voor twee reparaties krijgt Scheuer f 20,-.
1816
Voor stemmen en reparatie f56,- aan Scheuer betaald.
1817
Stemmen en reparatie van het orgel, betaald aan Scheuer f 18,-. De heren kerkvoogden
zullen het langzamerhand wel beu zijn geworden steeds opnieuw in de beurs te moeten tasten
voor steeds weer andere reparaties. Men begon steeds duidelijker te zien dat er iets aan
het orgel moest gebeuren maar niemand sprak nog over een algehele restauratie. Het zou nog
enkele jaren duren voordat Scheuer tot een werkelijke restauratie kon overgaan.
1824
In een vergadering van kerkvoogden en notabelen, gehouden op 5 november 1824, werd
besloten het orgel "zwaar" te laten repareren.
1825
De orgelbouwer beloofde in een vergadering van 8 maart 1825 een bestek te maken en een
kostenopgave te zullen sturen. De kosten van deze reparatie zijn ons bekend, want in de
notulen vinden we dat er een bedrag van f 300,- drie achtereenvolgende jaren, aan Scheuer
wordt uitbetaald. De gehele 'zware' reparatie kostte f 1200,-.
1825-1827
Wat er door Scheuer aan het pijpwerk is gedaan, of ook het mechanische gedeelte onder
handen is genomen, weten we niet, maar over het uiterlijk zijn we redelijk goed
geïnformeerd. Scheuer stelde voor:
"de beeltenis van koning David als harponier, indien er plaats voor is, na evenzoo
der grootte des orgels en twee famen of iets dergelijks ter verfraaiing derzelver van gips
gemaakt".
Scheuer heeft het houtsnijwerk (thans weer op de rugwerkkas) verwijderd en vervangen door
drie gipsen beelden, inderdaad 'der grootte des orgels', d.w.z. ongeveer ter grootte van
de rugwerkkas.
1839
Het orgel blijkt niet in een rooskleurige staat te verkeren want op 30 juli van dat
jaar maakt de organist Willem Koning een rapport over de situatie van het orgel. Uit zijn
rapport ontlenen wij de volgende gegevens:
"In het Borstwerk hoort men bij aanhef van sommige toonen veel geruisch der wind
en voorts bij veelen zoals in het rugwerk, een aanmerkelijk bijgeluid. Vervolgens zijn
veelen stevels verwormd, zijn er veelen pijpen die slecht aanspreken en zijn de
wind-kanalen en blaasbalgen defect".
Of de gebreken welke door Koning werden genoemd ook inderdaad zijn hersteld is noch
uit de archieven noch uit de notulen van de kerkvoogdij na te gaan. We weten dus evenmin
of Scheuer voor deze werkzaamheden aansprakelijk is of dat men een andere orgelbouwer
heeft ontboden of dat men in het geheel niet heeft gereageerd op het rapport van Willem
Koning.
1852:
Zie rechts een bericht uit de Provinciale Overijselsche en Zwolsche
Courant van 28 mei 1852 omtrent een mogelijk
reparatie van het orgel in 1852 door vermoedelijk de orgelmaker Bergman uit
Amsterdam (01)
1882
Pas dan komen we weer enige gegevens tegen betreffende het orgel tegen, want in een
vergadering van 6 mei van dat jaar wordt weer gesproken over restauratie van het orgel.
Aan de voorzitter van het college wordt opgedragen over een eventuele restauratie te
corresponderen met de organist/orgelbouwer Zwier van Dijk uit Kampen. In deze vergadering
werd gesproken over noodzakelijke reparatie speciaal van Trompet en Dulciaan van het grote
orgel en over de noodzakelijkheid van herstel van het grote en kleine (rugwerk) orgel
opdat het een goed geheel zou worden. Behalve deze mededelingen is ons over de
werkzaamheden van van Dijk niets bekend. Wel kunnen we een en ander achterhalen als we
bovenstaande mededelingen en de vermelde dispositie van het orgel door van 't Kruijs in
zijn boek: "Verzameling van disposities der verschillende orgels in
Nederland" uit 1885, dus enige jaren na de werkzaamheden aan het orgel, gaan
combineren. Zwier van Dijk heeft het borstwerk verwijderd want voor de restauratie van
1839 werd het borstwerk nog genoemd en in de disposities bij van 't Kruijs in 1885 is er
sprake van een twee-klaviers orgel. In de notulen van de vergadering van 1882 werd de
dulciaan 16' genoemd en bij van 't Kruijs niet zodat het waarschijnlijk is dat van Dijk
dit register heeft vervangen door een tweede Prestant 8'. In de l9de eeuw hebben zich
wijzigingen aan het orgel voltrokken die moeilijk of in het geheel niet zijn na te gaan.
Zo noemt van 't Kruijs in zijn "Verzameling" niet de tweede Prestant,
niet de Sifflet 1 1/2 en de Scherp van het rugwerk en de Cimbel en Quintadeen van het
hoofdwerk, hoewel het waarschijnlijk is dat deze stemmen in 1882 nog aanwezig waren. Ook
de herkomst van de Flute traverso (discant) kan niet worden genoemd.
1905
Een zeer ingrijpende wijziging heeft het orgel in 1905 ondergaan. Jan Proper verplaatst de speeltafel naar de linkerzijwand van het
Hoofdwerk. Het is waarschijnlijk dat ook Proper de Rugwerklade op de (lege) plaats van de
Borstwerk-lade heeft gelegd, (voor de laatste restauratie bevond zich op deze plaats de
Rugwerklade) terwijl hij ook de klavieromvang heeft gewijzigd. Was de klavieromvang nog
steeds ongewijzigd, C-c3 Proper gaat deze omvang uitbreiden door cis3 t/m f3 terug te
koppelen aan het lagere octaaf, alleen echter in het Hoofdwerk. In het Rugwerk heeft
Proper de oplossing gevonden door de windlade te verlengen. Daar Cis en Dis uit het groot
octaaf ontbraken, reeds vanaf de bouw, zijn daarvoor op de verlengde lade pijpen
aangebracht. (behalve voor Sesquialter en Quint 3). Wat de Hoofdwerklade betreft heeft men
dit manco opgelost door een in zijn stunteligheid nog geniale constructie: Nasat en Octaaf
2' spreken op één pijp, Holpijp en (front-) Prestant evenzo, Ruispijp en Mixtuur bleven
stom. De trompet 8 kreeg een toevoeging van 2 pijpjes van + 30 cm lengte, voorzien van een
harmoniumtong. Trekt men de Prestant die op de lade staat, dan schuift het sleepje onder
deze trompet half open en fungeert deze "Trompet" als Prestant 8.' Dit hele
geval is op een aparte lade aan de zijkant van het Hoofdwerk boven de speeltafel
aangebracht. Hiervoor was een uitbreiding van de kas noodzakelijk. Naast de Rugwerklade
zijn nog pijpen aangebracht waarop Cis en Dis van de Prestant 4'; Fluit 4'; de Holpijp 8'
en de Bourdon 16' van het Hoofdwerk spreken. Om deze pijpen een plaats te geven, zijn 7
pijpen van de Holpijp 8' van het Rugwerk (toen op de plaats van het Borstwerk) in de lege
Rugwerkkas geplaatst. Het is duidelijk dat al deze min of meer ingrijpende veranderingen
niet hebben bijgedragen tot meerdere luister van het orgel.
![]() |
1927 De fa. Spiering uit Dordrecht "restaureerde" het orgel in 1927 en voerde de volgende werkzaamheden uit: Het metalen front werd vervangen door een zinken front, zowel van Hoofd- als van Rugwerk. Spiering plaatste een nieuwe Viola 8' en een Celeste 8' op het Rugwerk en verwijderde de octaaf 2' van deze lade. Voorts bouwde deze firma een nieuwe pneumatische pedaallade achter het orgel met twee sprekende stemmen, t.w. Subbas 16' en Gedekt 8'. |
1940
De dispositie van het orgel zag er in 1940 als volgt uit:
| Hoofdwerk | ||
| Prestant | 8' | Front zink, rest origineel |
| Prestant | 8' | Een tweede prestant op de plaats van de Dulciaan 16' |
| Holpijp | 8' | G-B hout, rest origineel |
| Bourdon | 16' | C-c van hout en gedekt, rest open en waarschijnlijk gemaakt uit de Quintadeen 8' |
| Octaaf | 4' | Origineel |
| Quint | 3' | Origineel F.C. Schnitger |
| Octaaf | 2' | Origineel |
| Open fluit | 4' | Origineel |
| Ruispijp | II | Origineel |
| Mixtuur | III | Origineel |
| Trompet | 8' | Origineel |
| Rugwerk | Op de plaats van de voormalige Borstwerklade | |
| Prestant | 4' | Front zink, rest origineel in rugwerkkas |
| Holpijp | 8' | Origineel |
| Fluit | 4' | Origineel |
| Quint | 3' | Origineel C-B gedekt |
| Woudfluit | 2' | Origineel |
| Sexquialtera | II | Origineel Waarschijnlijk vroeger in onderste octaaf + tertsen-koor |
| Flute travers | 8' | Alleen discant en geplaatst op de plaats van de Sifflet 1 1/2' |
| Celeste | 8' | Op de plaats van de Scherp. Spiering |
| Gamba | 8' | Op de plaats van de Octaaf 2'. Spiering |
| Dulciaan | 8' | Origineel |
| Pedaal | ||
| Subbas | 16' | Door Spiering gemaakt. Pneumatisch. Hout |
| Gedekt | 8' | Door Spiering gemaakt. Pneumatisch. Hout |
Omvang van de klavieren: C-f3 (Oorspronkelijk C-c3)
Cis en Dis uit het groot octaaf ontbraken tot Proper. (zie 1905)
1949
In oktober besloot de toenmalige kerkvoogdij het orgel grondig te laten restaureren en
uit te breiden.
1950
Een restauratieplan wordt opgemaakt door de orgel-commissie van de Ned. Herv. Kerk.
Adviseurs van deze commissie waren de heren Willem Hulsmann en Lambert Erné. In dit plan
werd de kerkvoogdij geadviseerd het orgel te laten herstellen en het geheel uit te breiden
met een volwaardig pedaal. Diverse koppelingen zouden worden aangebracht zodat het orgel
na deze voorgenomen restauratie een vooraanstaande plaats zou kunnen innemen in de rij van
middelgrote orgels. Ook zou het verdwenen Borstwerk weer worden herplaatst. De restauratie
wordt opgedragen aan de Groningse orgelmaker Mense Ruiter
die deze restauratie in etappen zou uitvoeren. In het hierboven genoemde restauratieplan
is een bedrag genoemd voor de gehele restauratie, t.w. ca. f20.000,-, het nieuw te bouwen
pedaal niet inbegrepen. Dit pedaal van 9 stemmen zou ca. f 11.000,- gaan kosten. Het is te
prijzen dat de kerkvoogdij deze plannen heeft aanvaard en zich in verbinding heeft gesteld
met het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ter verkrijging van de daarvoor
noodzakelijke subsidie. De rijksadviseurs dr. H. L. Oussoren en Cor Edskes werkten in
nauwe samenwerking met de bovengenoemde adviseurs van de Hervormde Kerk.
1951
Mense Ruiter begint met de demontage van het Rugwerk, zowel
lade als orgelkas werden weggenomen om, na algeheel herstel, weer in de kerk te worden
geplaatst. Toen eenmaal het Rugwerk, bespeelbaar vanuit een noodklavier, weer was
herplaatst, besloot men het kerkgebouw aan een algehele restauratie te onderwerpen.
Hierdoor liet de herplaatsing van het Hoofdwerk, dat ter restauratie in Groningen was,
zeer lang op zich wachten. Deze gehele restauratie heeft een treffende gelijkenis met de
bouw van het instrument. Vele brieven, vergaderingen, boze telefoongesprekken met diverse
personen en instanties zijn aan deze restauratie gewijd. Dan was het de orgelmaker die
niet vorderde met de werkzaamheden, dan weer de orgelcommissie die een andere opvatting
over een bepaald restauratie of een herplaatsingsplan had, dan weer het stagneren van
toegezegde subsidie, enz.
Eén der twistpunten:
Rugwerk op oude plaats, d.w.z. in de balustrade of uitstekend, d.w.z. voor de balustrade.
Een voorstel, bij monde van de heer Lambert Erné, over wie niets dan lof inzake deze
restauratie, zonder zijn inzicht en kennis van zaken zou het 'bequaeme' orgel niet
geworden zijn wat het nu is, het aantal stemmen op het pedaal te reduceren tot 5, werd, op
advies van de plaatselijke organist, door de kerkvoogdij verworpen. Het bleven de geplande
9 stemmen.
1968
Nam de bouw van het 'bequaeme' orgel ca. 10 jaar in beslag, de laatste restauratie
duurde maar liefst ca. 18 jaar! Eerst in 1968 kon de Hervormde Gemeente van Meppel haar
orgel voor het eerst beluisteren tijdens het inwijdingsconcert, verzorgd door de adviseur
Lambert Erné en de plaatselijke organist Nico Verrips, van het geheel gerestaureerde en
uitgebreide orgel (5 januari) De eindkeuring door de verschillende adviseurs (Erné en
Edskes echter hoofdzakelijk) was slechts een formaliteit. Men had de werkzaamheden zo op
de voet gevolgd dat men precies op de hoogte was van de resultaten van de orgelbouwer. Aan
het keuringsrapport van de orgelcommissie van de Hervormde kerk ontlenen wij de volgende
gegevens:
"In nauw overleg tussen uitvoerders en adviseurs is gewerkt naar de oplevering van
dit orgel, dat enerzijds in zijn totaalk lank, anderzijds bij gedifferentieerde
registraties, een imponerend plenum en kleurrijke mogelijkheden biedt. Het nieuwe pedaal
is verrassend goed aangepast aan het oude werk, dat hierdoor overigens belangrijk meer
perspectieven geeft bij de keuze van de te spelen literatuur of improvisaties. Het
borstwerk voegt zich voortreffelijk in de oude sfeer der reeds bestaande werken. Technisch
bezien is alles in structuur en mechanieken zorgvuldig ingedeeld en afgewerkt. Het
instrument heeft een zeer goede speelaard. De windvoorziening is goed, evenals de
afwerking der kassen."
1989: Herintonatie door Flentrop.
Dispositie: Kamp (K), F.C. Schnitger (S), Ruiter (R)
| Hoofdwerk | Rugpositief | Borstwerk | Pedaal | ||||
| Prestant (R) | 8' | Holpijp (K) | 8' | Gedekt (R) | 8' | Prestant (R) | 16' |
| Holpijp (K) | 8' | Prestant (R) | 4' | Gedekte fluit (R) | 4' | Octaaf (R) | 8' |
| Quintadeen (K) | 8' | Open fluit (K) | 4' | Octaaf (R) | 2' | Gedekt (R) | 8' |
| Octaaf (K) | 4' | Fluit Quint (K) | 2 2/3' | Fluit Quint (R) | 1 1/3' | Octaaf (R) | 4' |
| Open fluit (K) | 4' | Octaaf (K,R) | 2' | Sifflet (R) | 1' | Mixtuur (R) | VI |
| Nasard (S) | 2 2/3' | Woudfluit (K) | 2' | Scherp (R) | III | Bazuin (R) | 16' |
| Octaaf (K) | 2' | Quint (R) | 1 1/3' | Vox Humana (R) | 8' | Trompet (R) | 8' |
| Ruispijp (K) | II | Sesquialter (K,R) | II | Cornet (R) | 4' | ||
| Mixtuur (K) | III | Scherp (R) | IV | Trompet (R) | 2' | ||
| Cimbel (R) | VI | Dulciaan (S) | 8' | ||||
| Dulciaan (R) | 16' | ||||||
| Trompet (K,S) | 8' |
|
Label |
Nr. |
CDLP |
Jaar |
Solist |
Programma |
| Philips | 6768177 | LP | 1972 | Daniel Chorzempa | Johann Sebastian Bach 6 triosonates |
| VLS | VLC1091 | CD | 1991 | Erwin Wiersinga | Drentse Orgels I; Werken van J.S. Bach, Böhm, Walther |
| Stemra | Merlijn AV cat.nr. 001 | CD | 1991 | Nico Verrips | Werken van Kittel, Bach, Buxtehude, Reger, Jongen, Rheinberger, Karg-Elert, Kee, Langlais en Verrips |
| BIEM? | 113536Y | LP | 1970? | Nico Verrips, Hervormd Jeugkoor Meppel. Marjan Doorn | Werken van bach, Buxtehude. Koorwerken van Jan Mul, Armin Knab, Albert de Klerk, Walther Henning, P.H. Erlebach, Verrips, Francesco Zagetti |
| Coronata | COR 1313 | CD | 199x | Ewald Kooiman | J.S. Bach Orgelwerk (2) Sonate nr. 1 es dur, BWV 525, Fantasie c mol, BWV 562, sonate nr. 2, c mol, BWV 526, Fantasie en fuga c mol, BWV 537, sonate nr. 3, d mol, BWV 527, fantasie c mol, Anhang 205/Anh. II 45 en fantasie c dur, BWV 570 |
Literatuur:
| Schrijver | Boek of tijdschrift | Omschrijving |
| Jan Jongepier | Het orgel 1990/07 | Orgel van Meppel door herintonatie herboren |
| KNOV | Het orgel 1965/01 | Orgelbouwnieuws |
| Nico Verrips | Het orgel in de grote kerk van Meppel | |
| Maarten Seybel | De klankschoonheid der Drentse orgels | Meppel Herv. Grote kerk |
| Nivo | Nederlandse orgelencyclopedie deel 2 | |
| Victor Timmer en Ton van Eck | Abraham zien en andere artikelen over het orgel tgv. De 50ste verjaardaag van Gerard Verloop Voorburg 1985 | W.D. van der Kleij: Arp Schnitger en het orgel in de Nederlands Hervormde kerk te Meppel. blz. 53-67 |
Noten:
De organisten
Wie er organist geweest is in de Kapel in 1516 is ons niet bekend, wel weten we dat er een
orgel aanwezig was en dat dit instrument elke zaterdag tijdens de vroegmis ter ere van de
heilige maagd Maria werd bespeeld.
Willem Leemcuyl
Voor de bouw van het huidige orgel was een zekere Willem Leemcuyl organist in de
Mariakerk in Meppel. Wij vinden zijn naam vermeld in de archieven wanneer de financiën
weer kunnen worden geregeld na de oorlogshandelingen van bisschop Bernard van Galen. De
schulden zijn weer betaald en dan komt ook de organist weer in aanmerking voor uitbetaling
van zijn honorarium, zijnde f266,- voor 3 jaar en 3 maanden trouwe dienst.
Luicis Muijselaar
Tijdens de bouw van het 'bequaeme orghel' werd tot organist benoemd Luicas Muijselaar.
Uit de correspondentie van de kerkvoogdij en de orgelmaker Kamp kunnen we opmaken dat deze
organist menig goed woordje voor de orgelmaker heeft moeten doen bij kerkmeesters en
volmachten van de stad Meppelt. Of Muijselaar zeer lang organist in Meppel is geweest is
niet bekend.
Johannes Prins
In Zutphen staat vermeld dat deze organist Prins in Kampen was in 1798, in Meppel in
1800, in Tiel in 1802 en in Zutphen in 1805. Een zeer respectabele dienst in een zo korte
tijd.
? Gritters
Als in 1812 de kerkvoogdij twee jaren organistentractement uitbetaalt aan de weduwe
Gritters (over 1810 en 1811) dan kunnen we daaruit afleiden dat Prins, (slechts twee jaar
in Meppel werkzaam) is opgevolgd (naar alle waarschijnlijkheid) door Gritters.
Hendrik Nijenbardering
In 1813 betaalt de kerkvoogdij aan meester Nijenbardering een bedrag van f52,- omdat
hij 36 weken als voorzanger en 14 weken als organist heeft gefungeerd. Deze
schoolmeester-organist is in 1818 of 1819 overleden want de weduwe Nijenbardering ontvangt
nog 10 maanden salaris zijnde f 50,~, in 1819.
Willem Koning
Schoolmeester-organist Hendrik Nijenbardering, ook wel Baandering genoemd, wordt
opgevolgd door Willem Koning.
Koning maakt een rapport over de toestand van het orgel, gedateerd 30-7-1839 waarin de
mankementen aan het orgel worden genoemd. Of Willem Koning tot 1851 organist in Meppel is
geweest is niet bekend, uit de gegevens van de kerkvoogdij kunnen we opmaken dat in dat
jaar (1851)
Cornelis F. Zillinger tot organist is benoemd.
Cornelis F. Zillinger
Zillinger wordt benoemd tot organist van de Mariakerk door kerkvoogdij en
stadsbestuur. Het was in die tijd gebruikelijk dat de organist door zowel kerk als
stadsbestuur werd aangesteld hetgeen, vooral voor de kerkelijke gemeente, financiële
gevolgen had. Na 35 jaar dienst vraagt Zillinger ontslag aan de kerkvoogdij. In een
vergadering (13 februari 1886) wordt hem dit verleend, terwijl tevens over de opvolging
wordt gesproken. De president kerkvoogd zou, samen met de secretaris met de burgerlijke
overheid gaan praten om opnieuw samen een organist te benoemen. Zowel kerkvoogdij als
gemeente zouden elk f150,- per jaar betalen aan de organist-muziekmeester. In een volgende
vergadering wordt besloten het salaris van de organist te brengen op f200,-, thans alleen
voor rekening van de kerkvoogdij. De burgerlijke overheid heeft zich onttrokken aan de
jarenlange traditie samen een organist te benoemen. Op 4 april 1886 zijn er verschillende
sollicitaties binnengekomen waaruit een zevental wordt opgeroepen voor het afleggen van
een vergelijkend examen dat gehouden zal worden op woensdag 7 april, tussen één en vijf
uur.
Examinator: C. F. Zillinger.
10 April brengt Zillinger verslag uit. Er is een drietal kandidaten waaruit de kerkvoogden
kunnen kiezen, t.w. G. J. Sonsbeek uit Dedemsvaart, H. J. de Vries uit Bolsward, H. C. van
Griethuizen uit Alphen aan den Rijn. Gekozen wordt G. J. Sonsbeek. Tijdens deze
vergadering wordt Zillinger bedankt voor zijn 35-jarig organistschap, hij wordt een kundig
en stipt organist genoemd die als kunstenaar het orgel "toonen kon ontlokken die
de eerbiedige stichting opwekte".
G. J. Sonsbeek
In 1886 benoemd tot organist van de Grote Kerk te Meppel. Op 24 november 1905 geeft
Sonsbeek een concert bij de inwijding van het door Proper gerestaureerde orgel. Als er een
voorstel wordt ingediend door een der kerkvoogden het salaris van de organist te verhogen
aangezien het in vergelijking met andere gemeenten veel te laag is, dan wordt er
opgemerkt: "de handelingen van de organist zijn niet altijd in overeenstemming met
de belangen van de gemeente en als hem hierop wordt gewezen is zijn antwoord een nieuwe
ongepaste handeling". Hieruit kunnen we opmaken dat de verhouding
kerkvoogdij-organist gespannen is. Toch wordt het salaris van de organist gebracht op f
300,-(i.p.v. f 200,-) en wordt hem voor elke trouwdienst een bedrag van f5,- uitbetaald,
waarvan hij echter 50 cent moet afstaan aan de orgeltrapper. Tot 1919 is Sonsbeek organist
in Meppel. Zijn weduwe krijgt f 4,- pensioen per week, een vooruitstrevende daad voor die
tijd. Er wordt een oproep geplaatst voor een nieuwe organist op een salaris van f 500,-
per jaar. Een respectabel bedrag voor die tijd. Zeven sollicitanten die, evenals Sonsbeek,
de Vries en Griethuizen, zich aan een vergelijkend examen moeten onderwerpen.
Hendrik Beunk
Na een vergelijkend examen wordt H. Beunk uit Dokkum in 1920 benoemd tot organist. Al
spoedig krijgt de kerkvoogdij moeilijkheden met de pas benoemde organist want deze leidt
concerten op zondag, iets wat niet strookt met de opvattingen van de kerkvoogden. Als hem
hierop wordt gewezen is zijn antwoord dat hij vrijzinnig is dus dat hij door zal gaan met
zijn concerten geven. Er blijkt weinig aan te doen te zijn. Als Beunk in 1924 verzoekt
zijn salaris van f500,- op f750,- te brengen wordt dit afgewezen. Dit is voor de
organist aanleiding te solliciteren, hij vraagt per 1 september 1926 ontslag. Hij vertrekt
naar Zwolle en wordt daar leraar aan de muziekschool.
Willem Zorgman
Per 1 oktober 1926 wordt benoemd Willem Zorgman uit Maassluis, weer na een
vergelijkend examen, ditmaal afgenomen door Willemier uit Zwolle. Ook met Zorgman heeft de
kerkvoogdij moeilijkheden want in 1928 krijgt Zorgman een brief van de kerkvoogden waarin
hem wordt meegedeeld dat de leiding van de kerkdiensten bij de predikant berust en niet
bij de organist. Voorts zou Zorgman onwelwillend optreden bij huwelijksdiensten. Voor een
benoeming als organist in Enschede bedankt Zorgman maar al spoedig vertrekt hij uit Meppel.
Verder gegevens Willem Zorgman: (Zaandijk 5.2.1903 - Krugersdorp
7.2.1981) studeerde bij Cor
Kee, Cornelis de Wolf en Alex Paepen. Hij was organist te Maassluis
(1924-1926), Meppel (1926-1929), Breda (1929-1932) en tenslotte te Velp
(1932-1948). In 1948 emigreerde Willem Zorgman naar Zuid-Afrika, waar
hij als organist en muziekleraar werkzaam was.
Vgl. Het Orgel, april 1981,
pag. 144.
Henk Pijlman
In 1929 volgt Henk Pijlman Willem Zorgman op. Vrij
vlug vraagt Pijlman ontslag als organist van de Grote Kerk wegens zijn benoeming aan de
Gereformeerde Kerk in Meppel. Al vrij spoedig wordt in deze kerk een nieuw
electro-pneumatisch orgel geplaatst van de Duitse firma Walcker.
Hendrik H. Kaldenberg
Kaldenberg wordt in 1934 de opvolger van Henk Pijlman. Hij is gedurende 15 jaar
organist in Meppel, vertrekt in 1949 naar Zuid Afrika waar hij o.a. vertegenwoordiger
wordt voor een firma handelend in elektronische orgels.
Bé Hollander
Bé Hollander is de opvolger van Kaldenberg, neemt zijn leerlingenpraktijk over voor
een groot bedrag en werkt, samen met de kerkvoogdij, aan de realisering van de restauratie
van het orgel. In 1953 vertrekt Hollander naar Wageningen, het wachten op en moeizaam
werken aan het orgel beu.
Nico Verrips
Vier sollicitanten worden uitgenodigd in Meppel mee te doen aan een vergelijkend
examen, t.w. Jan Lensink uit Apeldoorn, Gerard Kieviet uit Bussum, Cor de Koning uit
Almelo(?) en Nico Verrips uit Vinkeveen. Het examen vindt plaats in de Gereformeerde Kerk
op het Walcker orgel aangezien de toestand van het "begeerde" orgel een
dergelijk examen niet toelaat. In een vergadering van september 1953 wordt Nico Verrips
benoemd tot Cantor-Organist. Op 25 september 1953 speelt Nico Verrips zijn eerste dienst
op het zeer slecht functionerende orgel in de Grote kerk. Het kerkkoor, meisjes- en
kinderkoor komen onder zijn leiding te staan.
Klaas Stok
Nico Verrips neemt in 1998 afscheid, na meer dan 40 jaar werkzaam te zijn geweest als
Cantor-Organist van de Grote kerk te Meppel. Zijn opvolger is Klaas Stok. Klaas
Stok is maar korte tijd organist in Meppel, omdat hij Bert Matter opvolgt als
organist van de Walburgkerk te Zutphen. In de overgangstijd van Klaas Stok naar
Mannes Hofsink is Nico Verrips weer tijdelijke organist.
Mannes Hofsink (zie
www.manneshofsink.nl)
Dit is de huidige organist van de Grote Kerk van Meppel. Ook hij combineert de
functie van cantor en organist. Voor details zie zijn website.