Sleen, Hervormde kerkBouw van een nieuw orgel in de kloosterkerk van de paters Kruisheren te St. Agatha bij Cuijk door Johannes Vollebregt,
toen nog woonachtig te Heusden. Kosten: f 1.250,-; laatste termijn van f 400,- in 1848 betaald.
Situering op het oxaal met de frontzijde naar het koor met opengewerkte panelen naar de
achter- en de klaviatuurzijde en rondom doorlopende kroonlijst. De 2 balgen stonden naast
elkaar aan de noordzijde van de kas op het oxaal. Front met 3 torens op gelijke lijn met
in-springende tussenvelden met de Prestant 8vt groot C in de middentoren. Drie
beelden, voorstellende David met de harp, alsmede twee musicerende engelen, resp. met een
viool en een walthoorn, mogelijk van de hand van H.J. van der Mark, nog leerling van J.B.
Peeters te Antwerpen. De grenen kas is van Vollebregt zelf. Ze is geschilderd in een beige
hoofdtint (kraplak glacis), profiellijsten diep rood, verlevendigd met bladgoud. Het
lofwerk gebroken wit met stofgoud. Toonhoogte ca. 1/4 toon onder normaal. Stemming
evenredig zwevend. Berichten, alsof het een reparatie van een orgel betrof (mogelijk van
Floris Hoque uit 1579), blijken niet juist te zijn. Alle onderdelen, inclusief de kas,
dateren uit 1846 en later. Ook het kloosterarchief spreekt van een "novo organo".
Dispositie:
Eén klavier (omvang C -f3), 9 registers, aangehangen pedaal (omvang C -cl), tremulant, ventiel en twee blaasbalgen. Zijkantbespeling (zuidzijde), staartklavier.
| Praestant | 8vt |
| Viola di Gamba | 8vt vanaf c0 |
| Holpijp | 8vt |
| Octaaf | 4vt |
| Quint | 3vt |
| (Gedekte) Fluit | 4vt |
| Nachthoorn | 2vt |
| Flageolet | 1 vt |
| Trompet | 8vt Bas/Discant |
Het orgel wordt overgeplaatst naar de kapel van eveneens de paters Kruisheren te Uden door Leonardus Aloysius van Nistelrooij (1816-1880) uit Oss.
Salicionaal 8vt
Bourdon 8vt
Gedakt 4vt
Siflet 2vt
Regulier onderhoud, waarschijnlijk door Adrianus Kuijte (opvolger van Van Nistelrooij) te Oss tot ca. 1905.
1900:
Aanzienlijke reparatie (door A. Kuijte ?).
1905:
Het orgel wordt verkocht aan orgelmaker A.M.T. van Ingen en Zn. te Haarlem. Plaatsing in de Gereformeerde Kerk (Engweg nr. 30) te Driebergen-Rijssenburg.
Daarna regulier onderhoud door Van Ingen t/m 1916.
1918:
Herstel door A.S.J. Dekker te Goes.
Dispositie na de bovengenoemde werkzaamheden:
| Hoofdwerk | Positief | Pedaal | |||
| Bourdon | 16' | Bourdon | 8' | Subbas | 16' |
| Praestant | 8' | Viola di Gamba | 8' | ||
| Holpijp | 8' | Vox Celeste | 8' | ||
| Octaaf | 4' | Gedekt | 4' | ||
| Fluit | 4' | ||||
| Quint | 3' | ||||
| Octaaf | 2' | ||||
| Octaaf | 1' | ||||
| Trompet | 8' b/d |
Regulier onderhoud door J.C. Sanders te Utrecht, daarna door K.P. van Ingen (va. 1929). In de periode tot 1948 een motor geplaatst.
1948/1949:
Verkoop aan de Ned. Herv. Gemeente te Sleen voor f 5.700,- en overgeplaatst door A. Hoogenboezem te Schiedam met bemiddeling van D.A. Flentrop te Zaandam
(f 600,-).
Regulier onderhoud nadien door A. Hoogenboezem.
1961-1963:
Restauratie van de kerk. Nieuw, aanzienlijk kleiner orgelbalkon, nu vrijhangend met
fundatie in de torenmuur (architectenkantoor Boelens/Assen en aannemer Scholten/Zweeloo).
Slechte afdekking van het orgel. Veel schade door inwerking van vuil en vocht. Aantal
frontpijpen tijdens kerkrestauratie ernstig beschadigd. Betonvloer direct onder de
estrikken-vloer: de akoestiek aangetast. Heteluchtverwarming aangebracht.
1965:
Restauratie door A. Hoogenboezem.
Problemen met de windladen en de mechaniek i.v.m. ongenuanceerd gebruik van de nieuwe heteluchtverwarming.
1968: 'Herstel' door W. Eppinga te Britswerd. De werkzaamheden werden niet omschreven.
| Hoofdwerk | Positief | Pedaal | |||
| Praestant | 8' | Bourdon | 8' | Subbas | 16' |
| Viola di Gamba | 8' | Gedekt | 4' | ||
| Holpijp | 8' | Praestant | 2' | ||
| Octaaf | 4' | Cymbel | III | ||
| Fluit | 4' | ||||
| Quint | 3' | ||||
| Nachthoorn | 2' | ||||
| Terts | 1 3/5' | ||||
| Mixtuur | III-IV |
De toestand van het orgel bleek na deze ombouw al gauw eerder verslechterd dan verbeterd. Reeds 10 jaar na deze ingreep was het orgel in zeer
slechte staat. Door alle bovengenoemde ingrepen was het instrument verworden tot een schaduw van wat het eens was: rommelig en grof qua opzet en uitvoering,
de klank onherkenbaar verminkt, veel pijpen ernstig beschadigd door onoordeelkundig stemmen.
RESTAURATIE, 1981 en 1991/92
1e fase 1981: In juni 1979 werd een rapport uitgebracht door Aart van Beek, adviseur namens de Nederlands Hervormde Orgelcommissie, ten behoeve van een volledige
restauratie. Daarop bracht Mense Ruiter Orgelmakers BV te Zuidwolde (Gr.) in juli 1979 een offerte uit. Het plan werd goedgekeurd en de aangevraagde
subsidies werden verstrekt, waaronder 90% subsidie van Rijk, Provincie en Gemeente. De le fase werd door de bovengenoemde orgelmakers uitgevoerd in 1981, onder advies van Aart van Beek.
De werkzaamheden omvatten:

Het orgel werd weer in gebruik genomen op vrijdag 8 mei 1992. Zie het
programmaboekje
Adviseur namens de Nederlands Hervormde Orgelcommissie was Stef Tuinstra te Groningen.
Rijksorgeladviseur was Onno B. Wiersma, Utrecht.
Aanvullend onderzoek:
Kasonderzoek, detailstudie van een aantal representatieve Vollebregt-orgels en een inventarisatie van het pijpwerk. Op basis van dit onderzoek werd het
restauratieplan gewijzigd. Uitgangspunt werd, waar mogelijk een reconstructie van de situatie en het concept van Vollebregt uit 1846, als zijnde artistiek het meest
volwaardige concept, zoveel mogelijk met inpassing van het werk van Van Nistelrooij. Waar onderdelen gereconstrueerd moesten worden, is 1846 als uitgangspunt aangehouden.
Uitvoerige documentatie:
Fotodocumentatie, gedane handelingen tijdens het werk werden beschreven, mensuur- en intonatieherstel, vooraf en nadien in lijsten en grafieken uitgezet.
Reconstructie van de maatvoeringen van de kasbeelden, de windvoorziening en nieuw pijpwerk (met bijbehorende proportionele intonatie) door de adviseur. Uitwerking en aanvulling
door de orgelmaker, c.q. beeldsnijder, kleur- en sculptuuradviseur. Enkele werkzaamheden zijn als aanvullend groot onderhouds-werk uitgevoerd, zoals het opnieuw inregelen van de
mechaniek.
Orgelkas en orgelbalkon
Nieuw pijpwerk:
Bij deze studie bleek, dat Vollebregt nergens dezelfde maten toepaste, doch steeds binnen hetzelfde systeem varieerde, zowel in de mensuratie,
pijpfactuur als intonatie. Derhalve is te Sleen niet exact gekopieerd, maar is volgens Vollebregt's algemene systeem en dat van Sleen het nieuwe pijpwerk
vervaardigd. De nieuwe registers zijn in eigen werkplaatsen gemaakt. De platen zijn gegoten door de fa. J. Stinkens te Zeist, naar uitkomst van een wetenschappelijke
metaalanalyse: binnenpijpwerk overwegend 18% tin, 81.55% lood, 0.27% antimoon en 0.18% koper; frontpijpwerk n.a.v. Breughel: 40.8% tin, 57.7% lood, 0.09% koper, 0.03% antimoon en enige
duizenden van procenten ijzer en calcium. De platen zijn door de orgelmaker zeer gedetailleerd bewerkt en samengesteld naar voorbeeld van pijpwerk van Vollebregt. De
frontpijpen door de fa. Steffani (Herten) vervaardigd in nauwe samenwerking met en volgens gedetailleerde factuuropgave, incl. bovengenoemde metaalanalyse van orgelmaker en adviseur.
De windlade is van Vollebregt uit 1846 en geheel van eiken. Opliggende voorslagen met touwlusgrepen en ijzeren klemmen. De windladedeling is diatonisch,
d.w.z. per hele toon gerangschikt, de grootste pijpen in het midden en naar de zijkanten aflopend. Het open
pijpwerk is integraal van spitse labia voorzien, behalve de grote frontpijpen. Deze hebben
opgeworpen ronde labia. Die van de fluitregisters zijn rondingeritst.
Vrij dunne kernen, de fasen zijn doorgaans 50 graden. De pijpwanddikte is doorgaans dunner dan bij latere
Vollebregt-orgels. Het open pijpwerk heeft geen baarden, de fluitregisters zijn daarentegen wel geheel van baarden voorzien. Het opsnedebeeld van het
open pijpwerk is over het algemeen vrij hoog, de kernspleten zijn vrij wijd, de voetopeningen gemiddeld tot
relatief klein in de discant. De volgorde van de genoemde registers is tevens de plaats op
de windlade vanaf de frontzijde naar achteren -HW- en van achteren naar voren (tegen zijwand) -BW-:
| Praestant | 8 vt | 1991, c2 - 1846 C - g1 in het front, baspijpen in middentoren, tenorpijpen in de zijtorens, altpijpen in onderste tussenvelden, discantpijpen binnen op de lade; bovenste tussenvelden stom. Overlengte met (ronde) stemuitsnijdingen en stemplappen. Opgeworpen ronde labia in de torens, spitse geritste labia in de tussenvelden. Vrij wijde mensuur. |
| Cornet | III discant | |
| Holpijp | 8 vt | C0-h2 - 1846 / rest 1991 Gedekt, losse hoeden. Geheel met baarden, groot octaaf grenen; enge mensuur en extreem lage opsneden (Quintadena-achtig). |
| Octaaf | 4 vt | 1846/d fi 3-f3 1991 - groot octaaf stemlappen. |
| Quint | 3 vt | 1846 - prestantmensuur |
| Fluit | 4 vt | 1846/g t: 0, g 1, d fi -f3 vroeg 1 9de eeuws pijpwerk; d ~ 3-f3 open - factuur als Holpijp; iets wijdere mensuur, opsneden iets hoger (1871?) |
| Nachthoorn | 2 vt | 1846/c fl 2, b2, h2, d3 en e3 1991 - wijde prestantmensuur |
| Flageolet | 1 vt | c-bO, c fl1, c2, e2 1846/fO, hO-f3 1991 enge fluitmensuur |
Trompet |
8 vt b/d | bas/disc., 1991 - deling tusen hO en cl. Stevels en koppen mahonie, tamelijk enge open messing keel met schuine sluiting, onbeleerd. Bekermensuur gemiddelde wijdtemaat. |
De windlade van het dwarswerk is zeer waarschijnlijk 18de
eeuws van een zuidelijke
factuur en afwijkend van andere beschrijvingen van windladen van Van
Nistelrooij. Deling:
pijpen groot octaaf beide zijkanten, middenin c0-f3, chromatisch.
| Viola da Gamba | 8 vt | 1846 - vanaf c0. Het groot octaaf is gecombineerd met de Bourdon; c0 - f0 zijn afgevoerd, f3 vreemde pijp, 19de eeuws. Geheel (slechts) met zijbaarden; vrij wijde mensuur. |
| Bourdon | 8 vt | 1871 - Groot octaaf van eiken. Geheel gedekt met baarden, dikwandig sterk loodhoudend pijpwerk. |
| Gedekt | 4 vt | 1871/bO, cl, f3 nieuw; g2 - f3 open, rest gedekt met baarden; dikwandig sterk tinhoudend pijpwerk. |
| Siflet | 2 vt | 1991 - geheel open; wijde prestantmensuur, in discant vertragend tot fluit; kopie van het gelijknamig register te Teeffelen - RK kerk. Aldaar bestaat het uit Quint pijpwerk 3vt ( uit 1735) van Matthijs van Deventer, door Van Nistelrooij in 1857 omgewerkt. |
| Bourdon | 16 vt | 1918/1991 - dikwandig grenen; pijpopstelling als van Hoofdmanuaal, alle pijpen middels loodconducten afgevoerd. |
Het pedaal is permanent aangehangen aan het hoofdmanuaal (1846).
Nevenregisters:
Tremulant: opliggend (1991), hele werk
Manuaalkoppel: trekkoppel (1871)
Nihil
Windvoorziening:
1 keilbalg (1991) - model 1854 - met regulateurbalg (1965)
Toonhoogte: al = 435 Herz (1871) bij 16 graden Celcius
Stemming: evenredig zwevend
Winddruk: 68 mm waterkolom
Klank-beschrijving:
In Sleen is, na restauraties als bv. die te Erp (N.B.), andermaal een serieuze poging gedaan om Vollebregts geheel eigen klankwereld opnieuw tot leven te
wekken. Het monument zelf en diegenen die de geschiedenis van dit instrument mee hebben gemaakt, hebben ons
deze mogelijkheden door factuur en werkwijze aangereikt. Het Vollebregt-orgel is een
instrument met een eenvoudige, vanzelfsprekende allure. De herboren oude klank is heel
transparant van karakter, helder-zingend doch ook fluwelig en gemiddeld van geluidsterkte.
Alle liggingen zijn bij polyfoon gebruik uitstekend hoorbaar. De draagkracht blijft bij
een volbezette kerkruimte volkomen aanwezig. De frontprestant heeft een vol-rond
melancholiek en ontspannen toonkarakter. Zeer karakteristiek bij Vollebregt in alle
registers is de kenmerkende langzame voorspraak, alsof de toon wordt aangestreken als bij
een strijkinstrument. Met name bij de Viola di Gamba is dat evident. Toch was dit bij
uitstek een kenmerk van de klassieke 17de en 18de eeuwse orgelbouw en is dit element in de
klank bij veel restauraties in 19de eeuw van oudere orgels meer of minder teniet gedaan.
De fluitregisters zijn weliswaar alle gedekt, doch zeer verschillend van timbre. Die van
het hoofdmanuaal slank en kwinterend, die van het positief rond en gesloten, evenwel
galant en (opzettelijk) enigszins hees van toon. Opvallend is verder de maximale
versmeltingsgraad van de onderlinge stemmen. Alle registers kunnen in welke combinatie dan
ook samengevoegd worden. De Nachthoorn 2 vt en Flageolet l vt hebben een wijde
prestantklank. Met name het lvt register is beheerster en voornamer van karakter dan bij
orgels uit de Rococoperiode. De Cornet en Trompet klinken uitbundig, doch niet
overheersend en geven het klankkarakter van het volle orgel een typisch zuidelijk accent.
Dat laatste geldt tevens voor de discantklank van het instrument, welke naar boven toe
niet zo sterk in klankvolume toeneemt dan bij de ('protestantse') gemeentezangorgels het
geval is. De gereconstrueerde windvoorziening voegt 'last but not least' aan de klank en
het windkarakter een zeer muzikale en sierlijke-zangerige beweeglijkheid toe, wat zo
kenmerkend is bij nog originele Vollegbregtorgels.
"Moge dit monument een lang "gereïncarneerd" leven beschoren zijn tot lof van de Schepper en tot eer voor haar makers".
Literatuur:
| Schrijver | Boek of tijdschrift | Omschrijving |
| Stef Tuinstra | Kroniek van het Vollebregt-orgel in de Hervormde kerk te Sleen (1992) | |
| Jan Jongepier | Het Orgel 1992/11 | Het orgel in de Hervormde kerk van Sleen |
| Frans Jespers en Ad van Sleuwen | Tot roem van zijn makers. Een studie over J.J. Vollebregt en Zoon |