Westerbork, Hervormde kerk
Informatie over de kerk
Bron: Zie literatuurlijst
Lange tijd gold het orgel in de Hervormde kerk van Westerbork als een oud orgel van
onbekende herkomst. Op een gegeven moment, rond 1980, was het orgel er slecht aan toe. Na
een preadvies van de Orgelcommissie van de Ned. Herv. Kerk benoemde de kerkvoogdij Klaas Bolt als adviseur.
Bron: Het Orgel1988/01 "Het orgel in de hervormde kerk te Westerbork" door Jan Jongepier
Foto 01 vanuit
http://www.kerkeninbeeld.nl
Historisch onderzoek
Klaas
Bolt begon met het oog op een historisch rapport met
een onderzoek van het aanwezige archiefmateriaal in Westerbork. Dat
leverde echter niet
zoveel op. In 1862 was het orgel "geleverd" door P. van Oeckelen.
Duidelijk was
echter, dat het huidige orgel niet van Van Oeckelen was.
Een groot deel van de legpuzzel bleek zich uiteindelijk elders te
bevinden. In al die
gevallen van levering van oude orgels is het immers de moeite waard na
te gaan, wat die
leverancier aan nieuwbouw maakte in de jaren voor die levering. Zo
leidde het spoor naar Beetgum,
waar P. van Oeckelen in 1861 een nieuw tweeklaviers orgel maakte.
Het van Oeckelen-orgel siert nog steeds de kerk van Beetgum. Voor foto's
van de kerk en het orgel zie de
onderkant van deze pagina.
Knock meldt van het voormalig orgel van Beetgum de dispositie:
Praestant 8 v.
Holpijp 8 v.
Octaaf 4 v.
Quint 3 v.
Super Octaaf 2 v.
Sexquialter discant
Mixtuur 3 St.
Tremulant
Afsluiting
Windlossing
Een dispositie zonder in het oog lopende kenmerken weliswaar, niet
geheel overeenkomend
met het orgel van Westerbork bovendien (de Trompet ontbreekt), maar in
het algemeen toch
een gegeven van belang, omdat het orgeltype er in grote lijnen mee
overeenkomt.
Een nader onderzoek van het archief van de Hervormde Gemeente van
Beetgum bracht in de
eerste plaats aan het licht, dat Van Oeckelen het oude orgel inderdaad
ingeruild had.
Er zijn twee bestekken voor de bouw van het nieuwe orgel bewaard
gebleven. Eén bestek van
Willem Hardorff (die het oude orgel onderhield toen over nieuwbouw werd
gesproken),
ongedateerd, niet ondertekend, de aanneemsom niet ingevuld. Het tweede
bestek van P. van
Oeckelen, gedateerd "juny 1860" en ondertekend namens de orgelmakers
door P. van
Oeckelen, C. A. van Oeckelen en H. van Oeckelen.
In beide bestekken komt, eensluidend, de volgende bepaling voor:
Het oude orgel moet dienstbaar blijven totdat de kast van het nieuwe
orgel geplaatst
wordt.
De Kerkvoogden zullen proberen het oude orgel zo voordelig mogelijk te
verkopen. Wanneer
dat niet lukt dan moet de orgelmaker het innemen voor een bedrag dat
hij per
inschrijvingsbiljet heeft gedeponeerd.
Toen het spoor naar Beetgum juist bleek, was ook de vraag naar de maker van het orgel in feite al opgelost.
Eén van de zeer te waarderen speurders naar gegevens uit de
Friese historie, de heer
Sytze ten Hoeve, had in juni 1978 in het orgaan 'Ut de smidte' van de Fryske
Akademy gepubliceerd
wat hij betreffende het orgel van Beetgum in het Schwarzenberg-archief
had aangetroffen.
Uit twee betalingsopdrachten met kwitanties blijkt, dat Christian
Müller "een
compleet orgel gemaackt" heeft "den 20 Januari afgelevert in de kerck
tot
Betgom". Hij ontving hiervoor 628 Caroliguldens. Breder bekend werd
deze
archief-vondst door de bijdrage van Meindert van der Galiën: Müller
en Schwartsburg
vondsten en vragen in DE MIXTUUR, nr. 26, oktober 1978. Het
orgel dat Müller bouwde,
is allerminst nieuw geweest. Kas en technische delen zijn zeker uit
1725-'26, het pijpwerk
is echter overwegend ouder. Vreemd is daarbij dat het pijpwerk niet de
eigenschappen van
de traditionele 17de-eeuwse Friese orgelbouw bezit, een zware factuur
met dikke pijpwanden
en een hoog loodgehalte, zoals we doorgaans in het werk van de
orgelmakers Baders en
Harmens aantreffen. Het pijpwerk van Beetgum, nu in Westerbork, is
daarentegen dun van
wand, met daarbij wel een hoog loodgehalte, en daarom gevaarlijk zacht
en fragiel. In de
periode tussen het overlijden van Schwartsburg en de vestiging van
Lambertus van Dam en
Albertus van Gruisen zijn in Friesland geen orgelmakers van formaat
voorhanden. Soms komen
we dan Hinsz tegen, maar in meerderheid toch een groot aantal
orgelmakers van een tweede
plan.
Zo is het ook in Beetgum gegaan. Kennelijk heeft men naar een
orgelmaker moeten zoeken,
want tot 1754 wordt er niets aan onderhoud uitgegeven. Van 1754 tot
1759 stemt ene
Johannes Jans het orgel voor 5 Caroligulden per jaar. Hij is de meest
onbekende in de rij.
In diezelfde tijd stemde hij het voormalig orgel van Bergum, een
(waarschijnlijk)
17de-eeuws instrument met Hoofdwerk en Rugwerk, waar we (nog) niet
zoveel van weten. Dan
treffen we Pieter de Vries aan. Hij was organist van
Galileeërkerk te Leeuwarden. Van
1760 tot 1776 onderhield hij het orgel van Beetgum, in 1777 overleed
hij. (Is er mogelijk
een samenhang tussen het overlijden van De Vries en de komst van
Lambertus van Dam naar
Leeuwarden?) Van 1777 tot 1782 stemt A. van Kampen (Campen) uit Koudum
het orgel. Ook hij
is geen onbekende als stemmer, reparateur en handelaar in orgels. Hij
was organist te
Koudum. Het bedrag voor de stemming bleef altijd 6 gulden en 6
stuivers. Soms alleen zes
gulden, soms iets meer als er wat aan de balgen (1782) of aan het
torenuurwerk (1781)
moest gebeuren. Als laatste in deze rij treedt Albertus S. Hempenius
op, die van 1784 tot
1789 het 'orgel stellen' uitvoert, ook weer voor 6 Caroligulden en 6
stuivers. Dan komt
het onderhoud in handen van Albertus van Gruisen, orgelmaker te
Leeuwarden. Hij begint met
een ingrijpende herstelling, kennelijk uitgevoerd in 1792. De eerste
termijn wordt
namelijk in november 1791 uitbetaald, de tweede en laatste termijn in
januari 1793. In
totaal was met deze werkzaamheden een bedrag van 225 caroligulden
gemoeid. Wat Van Gruisen
ervoor deed, weten we niet. Wijzigingen werden niet uitgevoerd, dat
kunnen we wel uit het
orgel afleiden. Het pedaalklavier dat er nu nog is, kan heel goed van
Van Gruisen zijn.
Het vertoont de karakteristieke factuur, die we ook bij Hinsz en
Freytag aantreffen, met
schuin afgeschaafde zijkantjes aan de toetsen. Tot 1818 stemden de
orgelmakers Van Gruisen
jaarlijks het orgel voor het vaste bedrag. Meestal staat Albertus van
Gruisen bij de
betaling genoemd, een enkele keer Johannes van Gruisen, na 1812
meermalen Willem van
Gruisen.
In 1807 werden reparaties aan de kanalen uitgevoerd. Wanneer in 1819
werkzaamheden aan het
dak van de kerk zijn verricht, waaronder vernieuwing van de leien,
blijkt het noodzakelijk
te zijn, het orgel te herstellen. De opdracht hiertoe wordt aan Johann
Adolf Hillebrand
gegeven, een leerling van Albertus van Gruisen, die vooral opvalt door
dubieuze kwaliteit
en een slechte verstandhouding met zijn leermeester. Voor fl 189,65
herstelt Hillebrand
het orgel, wat volgens het rekeningboek inhield het schoonmaken van het
orgel en het
vergulden en verzilveren (foeliën) van de frontpijpen. Stemmen
deed Hillebrand voor 7
gulden, maar dat komt maar één keer voor (1828).
De overige jaren was er altijd wel wat
te repareren en liep het bedrag op tot 10, of zelfs tot 22 gulden. Na
een paar jaar
onderbreking van het onderhoud (1830-'31) komt in 1832 Willem van
Gruisen hiervoor terug.
Tot 1837 is er weer sprake van regelmaat, eveneens m.b.t. het bedrag,
fl 6,30 per jaar.
Géén onderhoud is uitgevoerd in de periode
1838-1843. In laatstgenoemd jaar overleed
Willem van Gruisen, en wordt de orgelmakerij gecontinueerd door Willem
Hardorff
(aanvankelijk met T. van der Meer, maar al spoedig alleen). Willem
Hardorff komt in 1844
al stemmen, en doet dat met enkele onderbrekingen van
één jaar tot 1858. Aan de
onregelmatigheid van de bedragen is te zien, dat er toen altijd wel wat
mankeerde aan het
orgel. Dat zal dan ook wel de reden zijn geweest om naar een ander
orgel om te zien. Dat
moest dan ook een groter en moderner werk worden, naar de nieuwste
smaak. Welnu, dat werd
het ook, het nieuwe orgel van Van Oeckelen, dat er in 1861 kwam nadat
Hardorff dus de
opdracht aan zich voorbij had zien gaan. Het oude orgel werd als
afdankertje aan Van
Oeckelen overgedaan, zoals veelal gebruikelijk was. Is het geen
merkwaardige coïncidentie
dat ook dit ingeruilde instrument door Van Oeckelen in de provincie
Drenthe werd
geplaatst, evenals het oude orgel van Akkrum (thans in Veenhuizen),
vijf jaar eerder?
Lotgevallen in Westerbork
Het orgel geeft te kennen, dat Van Oeckelen niet al te veel heeft
veranderd aan het
Müller-orgel toen hij het in Westerbork plaatste. Er is ooit
een Viola di Gamba 8 vt
geplaatst waarvoor de Sexquialter moest wijken. Misschien is dat gelijk
in 1862 gebeurd.
Maar verder bleef het orgel in hoofdlijnen intact. Vooral voor
onderdelen als klavier,
pedaalklavier, windvoorziening, die, afgezien van de dispositie, nogal
snel vernieuwd
werden in die tijd, is dat heel opmerkelijk.
In 1953 werd het orgel gerestaureerd door de orgelmakers Gebr. Van
Vulpen te Utrecht.
Naast herstel van technische aard waarbij de lade op klassieke wijze
gerestaureerd werd,
vond dispositieherstel plaats door het herplaatsen van een Sexquialter
en het verwijderen
van de Viola di Gamba. Naar de mode van die tijd werd de klankgeving
opgezet vanuit een
lage winddruk (60 mm) en werden de voetopeningen drastisch vergroot.
Ook werd het pijpwerk
een halve toon verschoven. De toonhoogte was daarna bijna een halve
toon boven 440. De
frontpijpen werden van nieuw tinfoelie voorzien.
Restauratie door Albert H. de Graaf (1983-1987)
Ten behoeve van de kerkrestauratie werd het orgel, dat vrijwel
onbespeelbaar was geworden,
in 1983 gedemonteerd. De eigenlijke restauratie, uitgevoerd door
orgelmaker A.H. de Graaf
onder advies van Klaas Bolt vond plaats in 1986-'87. Op 1 oktober 1987
vond de
ingebruikname plaats, waarbij Klaas Bolt het orgel bespeelde.


De
restauratie omvatte de volgende werkzaamheden
*De kas werd hersteld, werd geschilderd in Venetiaans rood (ongeveer
overeenkomend met de
kleur van Leeuwarden), en het bladgoud op de Blinderingen en ornamenten
werd nieuw
aangebracht.
*Balgen en kanalen werden hersteld.
*De mechanieken werden hersteld, delen van de manuaalmechaniek werden
vernieuwd, zoals
twee winkelbalken, de verticale abstractuur en alle draadwerk.
*De totaal kapotgestookte windlade werd hersteld. Daarbij werden alle
scheuren in sponsets
gespied, terwijl bij het ventiel-draaipunt bruggetjes dwars werden
ingezet. De belering
werd aan onder- en bovenzijde opnieuw aangebracht. Op de stokken werden
ringen van geweven
stof geplakt ter afdichting.
*Het pijpwerk werd met grote zorg gerestaureerd nadat een volledige
Inventarisatie de
oorspronkelijke plaats van alle pijpen had vastgesteld. Met name bij de
Mixtuur bleek
nogal wat verplaatst te zijn. Besloten werd, het pijpwerk te verlengen
tot de toonhoogte
440. Uitgaande van de toonhoogte-inscripties kon niet de hogere
koortoon gekozen worden
omdat dan bij de frontpijpen in authentiek materiaal zou moeten worden
gesneden. De
voetopeningen werden verkleind, als winddruk werd 72 mm vastgesteld.
*Als temperatuur is thans een vrijwel gelijkzwevende temperatuur
ingestemd, nadat de
laatste verfijningen in de afwerking zullen zijn aangebracht ligt het
in de bedoeling een
temperatuur volgens Neidhardt aan te brengen.
*De Sexquialter van 1953 werd door een nieuwe Sexquialter vervangen.
Beschrijving van het orgel
Hoewel aan de ene kant typerende
Müller-trekken zoals de zevendelige
frontstructuur en de deling van de tussenvelden in drieën niet
aanwezig zijn (waardoor
het orgel waarschijnlijk ook nooit als een werk van Mij her is
herkend), zijn er
anderzijds toch wel veel kenmerken in het front aanwijsbaar die
Müllers auteurschap en de
bouwtijd bevestigen. Het spreekt vanzelf dat het Leeuwarder
Müller-orgel daarbij dan als
referentiepunt optreedt. Het orgel van Westerbork heeft een vijfdelige
frontstructuur met
zeven pijpen per toren en gedeelde tussenvelden met elk zes pijpen. De
frontpijpen
bezitten rond ingeritste labia die verguld zijn. Zijbaarden zijn niet
aanwezig.


De in 1953 aangebrachte tinfoelie is bij de thans uitgevoerde
restauratie gehandhaafd.
Overeenkomsten met Leeuwarden zijn vooral aanwijsbaar in de vorm van de
kappen van de drie
torens, met name de profilering daarvan, en in de vormen en motieven
van het
blinderingssnijwerk. Uiteraard is het zo, dat overeenkomst van stijl,
in dit geval Régence,
vanzelf tot congruentie van vormen en motieven leidt. In dit
geval gaat het dan om
banden, omrankt met blad- en bloemmotieven, ruitwerk en C-voluten. Maar
binnen dat
vaststaand gegeven is toch een opmerkelijke overeenkomst in de
hoofdvorm en uitvoering te
zien, bijvoorbeeld in de vleugels, vergeleken met de vleugels van het
Rugwerk te
Leeuwarden. Ik moet er direct aan toevoegen dat er ook verschillen
zijn. Zoals de curieuze
oplossing tussen de spitskappen en de middentoren: het
blinderingssnijwerk boven de
bovenste tussenvelden met C-voluut en ruitwerk, met, los daarvan, boven
de profiellijst
van de kap de elegante verbinding tussen spitskap en stijl van de
middentoren. Ook
opvallend, en afwijkend van Leeuwarden is het onderste detail van de
vleugels, een
minuscuul draperietje met kwastjes. Generaal gesproken is het
blinderingssnijwerk van
Westerbork bovendien grilliger, consistenter en beheerster dan dat in
Leeuwarden.
De kas
De
gehele kas is van eiken. Alleen het onderste zetluik in
de achterwand is van vuren. Verondersteld wordt, dat in 1726 delen van
een oudere kas
gebruikt zijn, ingepast in het Müller-concept. De 87 cm diepe
kas is geschilderd in een
fraaie, ingehouden rode tint (ongeveer overeenkomstig de kleur van
Leeuwarden) waarbij de
vleugels en blinderingen verguld zijn. De onderkas is eenvoudig van
constructie. Er zijn
vier stijlen aan de voorzijde, de buitenste vakken zijn verdeeld in
twee panelen met een
profiellijstje, in het middelste vak zijn klaviatuur, lessenaar en
knieschot geplaatst.
Knieschot en lessenaar zijn met kleine metalen schuifjes vergrendeld
(evenals in
Leeuwarden).
Curieus zijn de bolle hoekprofielen op de hoeken van de buitenste
stijlen.
De achterwand zit, in verhouding tot de simpele structuur van het
orgel, tamelijk
gecompliceerd in elkaar: gescheiden door tussenregels zien we van onder
naar boven: een
zetluik (ruimte onder walsbord), twee deuren (bij walsbord), een losse
plank over de
gehele breedte (bij ventielkast), een dubbel scharnierend stemluik over
de gehele breedte,
met ringen aan haken te bevestigen (in hoofdzaak voor stemmen Trompet)
en tenslotte
zetluiken in het bovenste gedeelte.

Klaviatuur
Wat bij het klavier natuurlijk in de eerste plaats opvalt is
de prachtige uitvoering
van de bakstukken. Ze zijn in twee opzichten zo bijzonder. In de eerste
plaats, omdat het
unica zijn en onverwacht van vorm binnen het Müller-kader. Of
die verwachting terecht
was, valt te bezien. Alleen de bakstukken van het Bavo-orgel zijn
originele exemplaren,
daarnaast zijn enkele authentieke klavieren met bakstukken van
kabinetorgels bekend. Maar
omdat die kabinet-orgelbakstukken toch varianten van het Bavo-thema
zijn, evenals
authentieke hakstukken van Pieter Müller (Hoorn, 1773, Ev.
Luth. kerk), en J. H. H.
Bätz, is het verwachtingspatroon ontstaan, dat alle orgels van
Müller wel iets in dié
geest gehad zullen hebben. Weerspreken de bakstukken van Westerbork die
gedachte?
Misschien wel. Maar er zijn er ook die menen (en dat is dan het tweede
bijzondere
element), dat deze bakstukken niet uit 1726 kunnen zijn. De grillige
vorm waarbij de
bladmotieven naar schuimwerk neigen lijkt inderdaad niet in
overeenstemming met het
bouwjaar en de thema's van het blinderingssnijwerk. Geen enkele Post
van de
onderhoudsbetalingen wijst echter op ingrijpend herstel of verfraaiing.
Ook passen de
bakstukken niet in het stijlbeeld van 1792, noch in de stijl van het
huis Van Gruisen.
Behalve de beschreven bakstukken omvat een zware ebben geprofileerde
onderlijst het
klavier, in deze vorm is wel degelijk de hand van Müller te
herkennen. Het klavier bezit
ivoorbeleg op de ondertoetsen, gelijmd, twee delen per toets. De bruine
houten
boventoetsen hebben dun ebben beleg. Toetsmaten: totale lengte 11,2 cm,
voorste deel 3,8
cm, boventoets onderaan resp. bovenop 7,1 / 6,8 cm. De frontons zijn
van lichtbruin hout,
iets gewelfd (niet geprofileerd). Er is een eiken pedaalklaviertje van
15 toetsen. Het
raam meet 65,6 x 47,7 cm, de boventoetslengte is 7,5 cm. Het orgel
heeft een oud grenen
orgelbankje, aardig model, zwart geschilderd. De registerknoppen zijn
origineel, bruin,
ongeschilderd hout, kort model knop. De registeropschriften staan op
witte houten
tabletten, letters zwart, kapitaal, romein, met schreef. Aanduidingen
voor Bas en Disc.
ontbreken bij halve of gehalveerde stemmen.

Windvoorziening
Achter
het orgel staat een balgenkas waarin drie oude spaanbalgen zijn
opgesteld. Aan
de noordzijde zijn de drie treden aangebracht. Van de balgenkas gaat
een hoofdkanaal naar
net orgel, over de vloer. Hierop in de onderkas een kastje met een
inliggende Tremulant.
Vervolgens een aftakking naar C- en Ciskant, elk met een eigen
Afsluiting, die tegelijk
door één knop bediend worden. Tenslotte de eiken
kanalen naar de lade. Alle kanalen en
overige delen zijn van eiken.
Windlade
De windlade is van eiken. Ongedeelde lade, met desondanks
twee kanaalingangen. Stokken
en roosters zijn ook van eiken. De ventielkast heeft twee inliggende
voorslagen, vastgezet
met ijzeren klemmen. De cancelindeling is: b0 fs0
B Gs c0 e0 gs0/c1-c3/Fs
E D C Cs Ds F/h2-es'/a
f cs0A G H ds0 g0
h0.
Mechanieken
Voor het pedaal
is er een eiken walsbord in mooi gebogen vorm, walsen grenen, nokken
eiken, armen eiken. Het Manuaal bezit een eiken walsbord, eiken walsen
in eiken nokken,
armen van ijzer. In de nokken rode kernlaken invoering, gehandhaafd
werk uit 1953. Tussen
klavier (eiken staartklavier) en walsbord twee eiken winkelbalken met
messing winkelhaken,
nieuw. Horizontale abstractuur oud, eiken, verticale abstractuur nieuw,
eiken. Draadwerk
nieuw. In de onderkas zijn, onder de registerknopen, merkwaardige
'vloertjes' aangebracht,
grenen. Staande walsen draaien hierin, klampjes voor horizontale walsen
zijn hierop
bevestigd. Alle walsen zijn van eiken, achtzijdig. Staande walsen
bezitten ijzeren armen,
liggende walsen eiken armen. De sleep-bevestiging is uiteraard aan de
zijkanten van de
lade. Ter plekke zijn ijzeren hefbomen aangebracht in een grenen regel
met as. Waar de
hefboom door de sleep heen steekt, is de sleep met een messing plaat
versterkt.

De dispositie luidt (volgens nomenclatuur aan de klaviatuur).
| Praestant |
8 voet |
C en Cis binnen, metaal, open, rond ingeritste labia, zijbaarden; D-b1 in het front, waarvan h0-b1 in de
tussenvelden, dubbel (onderveld en bovenveld gelijke tonen>, h'-c3 op de lade, dubbel |
| Roerfluit |
8 voet |
Geheel metaal; grootste pijpen 1726, rond ingeritste labia, zijbaarden; omdat papier bij hoeden vergaan was en de losse hoeden zeer ruim zijn is nieuw afsluitmateriaal
aangebracht~ modern materiaal op katoenbasis |
| Octaaf |
4 voet |
|
| Quint |
3 voet b/d |
Gewreven labium, geen belijnde vorm, losse hoeden, zijbaarden |
| Octaaf |
2 voet |
|
| Sexquialter |
III sterk |
Pijpwerk 1987; samenstelling: c1= 2 2/3, 1 3/5, 1 3/5 voet |
| Mixtuur |
III sterk |
Grotendeels oud pijpwerk, samenstelling hersteld in 1987, hier en daar aanvullend pijpwerk, 1987;
samenstelling: C: 1, 2/3, 1/2 C0: 1 1/3, 1, 2/3 g0: 2, 1 1/3, 1 c1: 2 2/3, 2, 1 1/3 f1: 4, 2 2/3, 2 |
| Trompet |
8 voet b/d |
Stevels en koppen eiken, om de stevels een perkamenten band met de toonhoogteletters, nieuw aangebracht in l 987,
messing kelen, iets schuin aan de onderkant, tongmateriaal grotendeels oud |
| Tremulant |
|
|
| Windlosser |
|
|


Gewassen inkt tekening door Maarten 't Hart, Balkbrug. Gemaakt in 1997.
Enkele algemene kenmerken van het pijpwerk
Uitgezonderd frontpijpen en grotere binnenpijpen lijkt alle
labiaalpijpwerk ouder dan 1726
te zijn. Het pijpwerk heeft een donkere metaalkleur, een hoog
loodgehalte maar een dunne
wand en is derhalve toch licht van factuur. Nergens is een belijnde
labiumvorm te zien,
behalve bij grotere pijpen uit 1726. Toonhoogteletters meestal aan de
voorkant, maar ook
bij de kruising van soldeernaden, rechts. Op veel (alle?) pijpen een
cancelnummer, zoals
we uit het werk van Schwartsburg kennen.
Indruk
Bij het orgel van Westerbork is toch echt wel sprake van een
'Doornroosje'-geval. Het
afdankertje, dat tengevolge van een totaal gebrek aan
financiële middelen alle stormen
overleefde en 'het haalde'. Friesland heeft in de welvarende 19de eeuw
immers weinig
respect getoond voor de roem van de uit andere streken afkomstige
orgelmakers Schnitger en
Müller, en de kwaliteit van hun werk als niet passend in de
tijdgeest verworpen.
Schnitgers werk verdween daardoor bijna geheel, van Müller
ging het charmante orgel van
Menaldum in 1861 spoorloos ten onder en verloor het Leeuwarder orgel
gedurende 10
opeenvolgende Van Dam-restauraties (tussen 1802 en 1928) balgen,
manuaalladen, klaviatuur,
mechanieken en meer dan de helft van het pijpwerk. Wanneer dan een werk
van deze Müller
onverwacht gelokaliseerd kan worden, en zó compleet, in
technisch opzicht, bewaard blijkt
te zijn, is er toch sprake van een verrassing van formaat. De nu
uitgevoerde restauratie
heeft bewerkstelligd, dat ondanks verschuivingen, verplaatsingen en
ander gepruts ook het
klankbeeld van dit gave orgel kon worden teruggewonnen. Ik moet er hier
aan herinneren,
dat slechts weinig pijpen van Müller/Schwartsburg zijn. Het
merendeel is ouder.
Tóch kan worden gehoord, dat er sprake is van een
Müller-concept. Wat we als kenmerkend
voor Müller hebben leren onderscheiden, een intensieve, in de
hogere prestant-registers
snijdende klank met een zeer grote versmelting in het plenum, is ook
hier aanwezig. Vooral
de Quint 3 vt disc. en Octaaf 2 vt dragen tot dat snijdend karakter
bij, de Mixtuur is
door zijn samenstelling, het gering aantal koren en de intonatie in
zichzelf milder.
Opvallend is de bereikte perfectie in versmelting tussen Mixtuur en
Sexquialter wanneer ze
samen worden gebruikt met de grondstemmen. Bijzonder is de klank van de
Roerfluit 8 vt:
een duidelijk Roerfluit-karakter, maar daarnaast vooral vol met een
meditatieve ondertoon.
De Roerquint 3 vt werkt heel overtuigend als versterker van de
grondtoon. Met de Trompet
is het merkwaardig gesteld. Alleen beluisterd overtuigt het register
allerminst. Een
scherpe, wat kelige è-klank die te weinig evenwicht met de
grondtoon lijkt te hebben.
Maar in combinatie met plenumregistraties gebeurt er iets wonderlijks.
De boventoonrijkdom
van de labiaalstemmen grijpt samen met die van de Trompet en de
duidelijke grondtoon van
de grondstemmen vult dat gebrek bij de Trompet aan. Desondanks zal nog
wat aan details
gewerkt worden, met name aan de sterkte van het klein octaaf. Ook een
onwillige frontpijp (eis')
heeft nog de aandacht. Dit bereikte klankbeeld is echter
allerminst vanzelfsprekend
tevoorschijn gekomen. Daarom is groot respect op zijn plaats voor het
minutieus gepuzzel,
de kennis van en het begrip voor het Müller-klankbeeld, en het
vakmanschap om dit alles
weer hoorbaar te maken.
Noten en bronnen
| 1 |
Beide bestekken in: Archief Hervormde Gemeente Beetgum (Rijksarchief Leeuwarden), mv. nr 83 |
| 2 |
Rijksarchief Leeuwarden, Schwarzenberg archief inv nr. 2994 en 2996 |
| 3 |
Ibidem, nr. 3001 |
| 4 |
Archief Hervormde Gemeente Beetgum (Rijksarchief Leeuwarden), Rekeningboek1738-1810,iny. nr. 110; Rekeningboek 1811-1858,inv.nr. 111 |
| 5 |
Enkele details omtrent de restauratie van1953, en meer bijzonderheden omtrent de jongste restauratie verkreeg ik mondeling van de heer A. H. de Graaf te Leusden. |
Literatuur:
| Schrijver |
Boek of tijdschrift |
Omschrijving |
| Nivo |
Nederlandse orgel encyclopedie deel 2 |
|
| KNOV |
Het orgel 1983/01 |
Orgelbouwnieuws |
| Jongepier Jan |
Het orgel 1988/01 |
Het orgel in de Hervormde kerk te Westerbork |
Van Oeckelen-orgel te
Beetgum

