Westerbork, Hervormde kerk

Informatie over de kerk


Drentsche courant 09-04-1841


Provinciale Drentsche en Asser courant 01-01-1879

Geluidsopname Arian van der Mark d.d. 14 maart 2018
 - Thomas Weelkes (1576–1623) Voluntary-in-a
 - Johann Pachelbel (1653-1706) Aria Quarta in g

Lang was de herkomst van het orgel in de Hervormde kerk van Westerbork onbekend.
Op een gegeven moment, rond 1980, was het orgel er slecht aan toe.
Na een preadvies van de Orgelcommissie van de Ned. Herv. Kerk benoemde de kerkvoogdij Klaas Bolt als adviseur.
Klaas Bolt begon met het oog op een historisch rapport met een onderzoek van het aanwezige archiefmateriaal in Westerbork. Dat leverde echter niet zoveel op. In 1862 was het orgel "geleverd" door P. van Oeckelen. Duidelijk was echter, dat het huidige orgel niet van Van Oeckelen was.
Een groot deel van de legpuzzel bleek zich uiteindelijk elders te bevinden. In al die gevallen van levering van oude orgels is het immers de moeite waard na te gaan, wat die leverancier aan nieuwbouw maakte in de jaren voor die levering. Zo leidde het spoor naar Beetgum, waar P. van Oeckelen in 1861 een nieuw tweeklaviers orgel maakte. (08)

Het van Oeckelen-orgel siert nog steeds de kerk van Beetgum. Voor foto's van de kerk en het orgel zie de onderkant van deze pagina.

1725/1726: Christiaan Müller maakte in dezelfde tijd toen hij bezig was met het orgel in de Grote Kerk te Leeuwarden (1724-1727), een klein instrument voor de kerk in Beetgum.
We kunnen dit afleiden uit twee kwitanties in het Schwarzenberg-archief, dat zich bevindt in het Rijksarchief voor Friesland te Leeuwarden. De familie Thoe Schwarzenberg en Hohenlansberg was een adellijk geslacht uit Duitsland, waarvan een tak omstreeks 1550 door huwelijk in Friesland terecht kwam. Een telg uit dat geslacht moet in de kerk van Beetgum in het eerste kwart van de 18e eeuw iets te zeggen hebben gehad.
Dit blijkt uit een tweetal kwitanties uit zijn familie-archief, waarin het orgel in Beetgum ter sprake komt.
Onderstaand de letterlijke tekst van beide kwitanties, zoals Ten Hoeve die geeft:

Schwarzenberg-archief no. 47-19
recto
"Mijnheer de secretaris Schick gelieve te betaelen uit de penningen, de kerke van Beetgum toebehoorende en onder zijn E. berustende, eene soma van hondert rixdaelders aan de ordre van Cristiaan Millart, meester orgelmaeker, op rekening van het gelt door deselve bedongen voor het onder handen hebbende orgel. Al gequalificeerde ingesetenen van Beetgum voornoemt soo neemen aen de Hr secret. deese betaelinge te sullen valiedeeren bij liquidatie soo als behoort.
Actum Leeuwaerden 12de September 1725.
verso
"den inhoud van de andre sijde hebbe ontfangen uyd handen van Mijn Heer Schick den 24 September 1725 in Leuwarden. Christian Muller".

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Archief van de familie Thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, inv.nr. 2984 (Staat en liquidatie tussen Johan Caspar Schik, secretaris van Menaldumadeel en de kerkvoogden van Beetgum gesloten op 7 juli 1740, met de daartoe behorende kwitanties, (1710)-1739).
"Door ordre van den Edelen Heer Baron toe Schwarzenberg.
Een compleet orgel gemaackt en den 20 Januari 1726 afgelevert inde kerck tot Betgom, daar voor geaccordeert de somme
van ses hondert Carolij guldens ƒ 600,-
noch boven den accord verdient ƒ 28,-
--------
somma ƒ 628,—
hier op ontvangen ƒ 250,—
--------
noch resto ƒ 378,—

Den ondergeschreven als gequalifceerde, stemdragende ingesetenen van den dorpe Beetgum versoeke de Heer secretaris Caspar Schick om bovenstaende drie hondert acht en seventich caroliguldens te betaelen aen monsr Christiaen Müller, meester orgelmaeker, tot volcomene betaelinge voer desselfs gemaekt en afgelevert orgel in de Beetgumeren kerk voornoemt, beloove deese te doene betaelinge aen de heer secret. Schick bij liquidatie te doen passeeren voor deugdelicke credit en deselve tegens alle schaede te guarandeeren.
Actum Leeuwarden den 24ste Janou 1726
G. W. v. Schwarzenberg en Hohenlansberg.
Boven staande resteerende som van drie hondert agt en seventig Carolij gulden bekenne ontfangen de hebben ende alsoo van de heele somme voldaen. Actum Leuwarden de 9e Fbr. 1726.
Christian Müller, orgelmaaker
". (11) en (12)

Klik op de afbeelding voor een vergroting


Knock meldt van het orgel van Beetgum in 1788 de dispositie:

Hij schrijft het orgel toe aan Schwartsburg en niet aan Christiaan Müller

Een dispositie zonder in het oog lopende kenmerken weliswaar, niet geheel overeenkomend met het orgel van Westerbork bovendien (de Trompet ontbreekt), maar in het algemeen toch een gegeven van belang, omdat het orgeltype er in grote lijnen mee overeenkomt.

1754-1759: Stemming door Johannes Jans voor 5 Caroligulden per jaar. (08)

1760-1776: Stemming door Pieter de Vries (organist van Galileeërkerk te Leeuwarden) (08)

1777-1782: Stemming door A. van Kampen (Campen) uit Koudum voor 6 gulden en 6 stuivers. Soms alleen zes gulden, soms iets meer als er wat aan de balgen (1782) of aan het torenuurwerk (1781) moest gebeuren. (08)

1784-1789: Stemming door Albertus S. Hempenius ook weer voor 6 Caroligulden en 6 stuivers. (08)

1789-1818: Onderhoud door Albertus van Gruisen. Hij begint met een ingrijpende herstelling, kennelijk uitgevoerd in 1792. De eerste termijn wordt namelijk in november 1791 uitbetaald, de tweede en laatste termijn in januari 1793. In totaal was met deze werkzaamheden een bedrag van 225 caroligulden gemoeid. Wat Van Gruisen ervoor deed is onbekend. Wijzigingen werden niet uitgevoerd, dat kunnen we wel uit het orgel afleiden. Het pedaalklavier dat er nu nog is, kan heel goed van Van Gruisen zijn. Het vertoont de karakteristieke factuur, die we ook bij Hinsz en Freytag aantreffen, met schuin afgeschaafde zijkantjes aan de toetsen. Tot 1818 stemden de orgelmakers Van Gruisen jaarlijks het orgel voor het vaste bedrag. Meestal staat Albertus van Gruisen bij de betaling genoemd, een enkele keer Johannes van Gruisen, na 1812 meermalen Willem van Gruisen. In 1807 werden reparaties aan de kanalen uitgevoerd. (08)

1819: Wanneer in 1819 werkzaamheden aan het dak van de kerk zijn verricht, waaronder vernieuwing van de leien, blijkt het noodzakelijk te zijn, het orgel te herstellen. De opdracht hiertoe wordt aan Johann Adolf Hillebrand gegeven, een leerling van Albertus van Gruisen, die vooral opvalt door dubieuze kwaliteit en een slechte verstandhouding met zijn leermeester. Voor fl 189,65 herstelt Hillebrand het orgel, wat volgens het rekeningboek inhield het schoonmaken van het orgel en het vergulden en verzilveren (foeliën) van de frontpijpen. Stemmen deed Hillebrand voor 7 gulden, maar dat komt maar één keer voor (1828). De overige jaren was er altijd wel wat te repareren en liep het bedrag op tot 10, of zelfs tot 22 gulden. (08)

1832-1837: Na een paar jaar onderbreking van het onderhoud (1830-'31) komt in 1832 Willem van Gruisen hiervoor terug. Tot 1837 is er weer sprake van regelmaat, eveneens m.b.t. het bedrag, fl 6,30 per jaar. (08)

1838-1843: Géén onderhoud is uitgevoerd in de periode 1838-1843. In laatstgenoemd jaar overleed Willem van Gruisen, en wordt de orgelmakerij gecontinueerd door Willem Hardorff (aanvankelijk met T. van der Meer, maar al spoedig alleen). (08)

1844-1858: Stemming door Willem Hardorff. Aan de onregelmatigheid van de bedragen is te zien, dat er toen altijd wel wat mankeerde aan het orgel. Dat zal dan ook wel de reden zijn geweest om naar een ander orgel om te zien.
Dat moest dan ook een groter en moderner werk worden, naar de nieuwste smaak. Welnu, dat werd het ook, het nieuwe orgel van Van Oeckelen, dat er in 1861 kwam nadat Hardorff dus de opdracht aan zich voorbij had zien gaan.
Het oude orgel werd als afdankertje aan Van Oeckelen overgedaan, zoals veelal gebruikelijk was. Is het geen merkwaardige coïncidentie dat ook dit ingeruilde instrument door Van Oeckelen in de provincie Drenthe werd geplaatst, evenals het oude orgel van Akkrum (thans in Veenhuizen), vijf jaar eerder? (08)

1860/1861
: In deze periode bouwt Petrus van Oekelen een nieuw orgel in Beetgum.
Een nader onderzoek van het archief van de Hervormde Gemeente van Beetgum bracht in de eerste plaats aan het licht, dat Van Oeckelen het oude orgel inderdaad ingeruild had.
Er zijn twee bestekken voor de bouw van het nieuwe orgel bewaard gebleven. Eén bestek van Willem Hardorff (die het oude orgel onderhield toen over nieuwbouw werd gesproken), ongedateerd, niet ondertekend, de aanneemsom niet ingevuld.
Het tweede bestek van P. van Oeckelen, gedateerd "juny 1860" en ondertekend namens de orgelmakers door P. van Oeckelen, C. A. van Oeckelen en H. van Oeckelen.
In beide bestekken komt, eensluidend, de volgende bepaling voor: Het oude orgel moet dienstbaar blijven totdat de kast van het nieuwe orgel geplaatst wordt.
De Kerkvoogden zullen proberen het oude orgel zo voordelig mogelijk te verkopen. Wanneer dat niet lukt dan moet de orgelmaker het innemen voor een bedrag dat hij per inschrijvingsbiljet heeft gedeponeerd. (08)


Lotgevallen in Westerbork
Het orgel geeft te kennen, dat Van Oeckelen niet al te veel heeft veranderd aan het Müller-orgel toen hij het in Westerbork plaatste. Er is ooit een Viola di Gamba 8 vt geplaatst waarvoor de Sexquialter moest wijken. Misschien is dat gelijk in 1862 gebeurd. Maar verder bleef het orgel in hoofdlijnen intact. Vooral voor onderdelen als klavier, pedaalklavier, windvoorziening, die, afgezien van de dispositie, nogal snel vernieuwd werden in die tijd, is dat heel opmerkelijk. (08)

1861: Plannen tot de aanschaf van een orgel.

Provinciale Drentsche en Asser courant 05-02-1861

1862: Het orgel wordt op 13 juli in gebruik genomen. Plaatsing door Van Oekelen.

Provinciale Drentsche en Asser courant 19-07-1862 en 06-09-1862

1865: Men is zeer tevreden met het orgel.

Provinciale Drentsche en Asser courant 19-12-1865


Provinciale Drentsche en Asser courant 17-12-1873


Provinciale Drentsche en Asser courant 12-05-1874


Provinciale Drentsche en Asser courant 24-10-1874, Provinciale Drentsche en Asser courant 27-10-1874


Provinciale Drentsche en Asser courant 28-10-1874, Provinciale Drentsche en Asser courant 03-11-1874, Provinciale Drentsche en Asser courant 19-11-1874


Provinciale Drentsche en Asser courant 12-05-1874, 24-10-1874, 27-10-1874


Provinciale Drentsche en Asser courant 28-10-1874, 03-11-1874


Provinciale Drentsche en Asser courant 19-11-1874


Provinciale Drentsche en Asser courant 29-11-1893


Provinciale Drentsche en Asser courant 27-10-1916


Provinciale Drentsche en Asser courant 13-05-1924, 14-10-1925



Provinciale Drentsche en Asser courant 03-11-1925

192x of 193x: Rapport zonder datum waarin de staat van onderhoud van het orgel wordt beschreven.
In het rapport staat dat het orgel ca. 60 jaar geleden is aangekocht. Dat zou wijzen dat het rapport is gemaakt in de jaren '20 van de twintigste eeuw.
Verderop in het rapport staat dat de verzekering in 1942 afloopt. Dit wijst meer in de richting van de dertiger jaren van de twintigste eeuw.
Het orgel is verzekerd voor f 4.500,- Er is nog geen electrische windmachine. Het wordt 1x per jaar gestemd voor f10,- door Runeman uit Assen.
Dispositie: Prestant 8', Holpijp 8', Viola di Gamba 8' (vanaf B?), Octaaf 4', Quintfluit 3' b/d, Octaaf 2', Mixtuur III-IV, Trompet 8' b/d
Stemming: "1/2 toon te hoog".
De staat van het orgel is slecht: rammelende mechanieken, veel slijtage. Windlade is lek. Ventielen sluiten niet goed af. Grootste drie pijen van de Prestant 8' spreken slecht aan. Van de Trompet 8' spreekt bijna geen pijp. (13)


1925: Restauratie van het orgel volgens onderstaand artikel van ds. P. van der Staay

Provinciale Drentsche en Asser courant 23-01-1928


193x: Johan van Meurs noteert de gegevens van het orgel in zijn dispositiecahier.
In een latere opmerking noteert hij de restauratie door van Vulpen, waar de Viola da Gamba wordt vervangen door een Sesquialter.

Klik op de afbeelding voor een vergroting
Uit het boek van Jaap Brouwer: Johan van Meurs - Een studie over een pionierend orgeladviseur


Provinciale Drentsche en Asser courant 31-10-1950

1951: Op 13 maart beantwoordt de Hervomde Orgelcommissie (HOC) een brief van hulpprediker A.H. Wuis. In deze brief wordt gemeld dat het orgel sterk verwaarloosd is en dat wordt gedacht over een fonds voor een toekomstige restauratie.
De HOC biedt graag zijn diensten aan en Lambert Erné zal het orgel daarvoor gaan onderzoeken en een rapport schrijven. Na het onderzoek kan worden gezocht naar een orgelmaker.
Op 19 april schrijft Wuis dat hij op verzoek van de HOC de kerkarchieven heeft doorzocht. Er was echter niets te vinden.
Het door de HOC genoemde jaartal 1800 zou volgens Wuis heel goed kunnen, omdat een van de draagbalken van het plafond in de kerk het jaartal 1808 heeft. In die tijd het schip van de kerk gewijzigd.
Op 13 juni meldt Wuis dat na het bezoek van Erné er nog geen rapport is toegestuurd. Graag wat spoed, zodat er kan worden gestart met acties op basis van de te verrichten werkzaamheden.
Op 10 juli verschijnt het onderzoeksrapport van de HOC. Het orgel is volgens het rapport rond 1800 gebouwd en vertoont gelijkenissen met een orgel van  Freytag of F.C. Schnitger. Informatie uit het archief zou duidelijkheid moeten kunnen geven.
De dispositie lijkt op de Viola da Gamba na origineel. Op dit plaats heeft vermoedelijke een sesquialter gestaan.
De Prestant 8' was in de dicant dubbel de verbindingen naar het front zijn echter weg gehaald. Er zijn veel vergane pijpvoeten. De trompetbekers zijn in slechte staat. Bovenranden van de pijpen zijn door onoordeelkundig stemmen beschadigd. De toonhoogte van het orgel is gewijzigd door het aanbrengen van expressions.
De windlade en mechanieken zijn in slechte staat. Het leer van windkanale en de blagen is sterk verdroogd en vertoont lekkage.
Het orgel is van goede makelijk en heeft historische waarde en is een restauratie waard.
De HOC verzoekt om een machtiging, zodat Van Vulpen plannen kan maken voor een restauratie. Verwezen wordt naar succesvolle werkzaamheden van Van Vulpen in Oosterwolde, Sellingen, Klazienaveen en Exloermond.
Aantekeningen van Lambert Erné zonder datum.
Al op 11 juli antwoordt Wuis. Er wordt nu met grote spoed gewerkt om nog voor de oogst acties uit te voeren. Kan de HOC iemand sturen om ter plekke voor de bestuurders uit te leggen hoe het orgel er voor staat? Is het mogelijk dit volgende week al te doen?
Op 17 juli meldt Wuis aan Erné dat de voorgestelde datum van 20 juli om 19:00 uur akkoord is. Kan de heer Erné voor die tijd even bij Wuis langs komen?
Op 22 augustus verschijnt het restauratieplan van Van Vulpen. Het restauratiebedrag bedraagt f 6.900,-
Het orgel wordt gedemonteerd en vervoerd naar de werkplaats in Utrecht.
 - De windlade wordt gedemonteerd en voorzien van nieuwe pulpeten en abstractdraden. Losse sponsels lijmen, slepen grafieten en pijpstokken uitregelen.
 - Mechaniek opnieuw bevilten. Nieuwe welsarmen.
 - Klavier opnieuw invoeren. Ivoren toetsbeleg aanvullen en bleken. Omlijsting klavier restaureren. Beschadigde registerplaatsjes bijwerken. Pedaalklavier restaureren en opnieuw bevilten.
 - Schapeleer van de balgen deels vervangen en verwormde delen vervangen.
 - Houten koppen van de Trompet vervangen indien ze zijn verwormd. Losgelaten lijmnaden opnieuw verlijmen.
 - Beschadigd pijpwerk bij beschadigingen n de goede vorm terug brengen en bovenranden vervangen indien gescheurd.
 - Schoonmaken van het front en gebladderde tinfoelie vervangen. Niet gebruikte pijpveldjes van de Prestant weer aansluiten met loden conducten. Verzakte voeten herstellen.
 - De Gamba 8' wordt vervangen door een nieuwe Sesquilalter III. Het metaal van de Gamba levert f 3,50 per kg op.
 - Nieuwe elektrische windvoorziening in een dempkist van het merk Meidinger.
 - Na terugplaatsing herintoneren en stemmen.
 - Het orgel kan 9 maanden na het verstrekken van de opdracht worden opgeleverd.
Op 7 september schrijft de HOC aan de kerkvoogdij de resultaten van het uitgevoerde archiefonderzoek in het Rijksarchief in Assen. Het orgel werd op 13 juli 1862 in gebruik genomen en geplaatst door Van oeckelen. De aanschafkosten waren f1200,-, betaald in 2 termijnen in 1862 en 1863. Het salaris van de organist was f 25,-
Ook wordt gemeld dat de kerk voordien nooit een orgel in de kerk aanwezig is geweest. In 1795 stonden er in Drenthe maar 7 orgels. Het bericht dat Van Oeckelen het orgel gemaakt heeft is beslist onjuist. Het orgel moet afkomstig zijn uit een kerk waar hij een nieuw orgel heeft geplaatst. De HOC blijft proberen de herkomst van het orgel te achterhalen.
De offerte van Van Vulpen is correct en qua prijs billijk.
In het archief van Lambert Erné is een kladje te vinden, met aantekeningen van vermoedelijk zijn archiefbezoek in Assen. (13)



Bijlagen van de Handelingen der Generale Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk ten jare 1956


Provinciale Drentsche en Asser courant 19-09-1951



1952: Op 13 februari komt er ook een kostenbegroting van W. Van Leeuwen & Zn. De werkzaamheden verschillen behoorlijk met de door van Van Vulpen voorgestelde werkwijze:
 - Aanbrengen van het VEKA-sleepsysteem.
 - Vervangen van het oude pedaal van C-d door een nieuw pedaal van C-d'
 - Viola da Gamba vervangen door een Quintadeen 8'
 - Trompet 8' vervangen door een Sesquilater II-III
Op 13 juni schrijft de HOC aan Van Vulpen of zij aan de kerkvoogdij van Westerbork kunnen bevestigen dat het orgel hoogstens 2 maanden buiten dienst is en voor Kerst van 1952 weer bespeelbaar is. (13)


1953: Het orgel wordt gerestaureerd door de orgelmakers Gebr. Van Vulpen te Utrecht. Naast herstel van technische aard waarbij de lade op klassieke wijze gerestaureerd werd, vond dispositieherstel plaats door het herplaatsen van een Sexquialter en het verwijderen van de Viola di Gamba. Naar de mode van die tijd werd de klankgeving opgezet vanuit een lage winddruk (60 mm) en werden de voetopeningen drastisch vergroot. Ook werd het pijpwerk een halve toon verschoven. De toonhoogte was daarna bijna een halve toon boven 440. De frontpijpen werden van nieuw tinfoelie voorzien. (08)

1959: Uit onderstaand bericht blijkt dat men in 1959 nog geen idee had wie de maker was van het orgel.


Nieuwsblad voor Beilen d.d. vrijdag 29 mei 1959 en Provinciale Drentsche en Asser courant 02-09-1959 (Raadsvergadering Westerbork)


Nieuwsblad voor Beilen 28 augustus 1959


Nieuwsblad voor Beilen 4 september 1959


Provinciale Drentsche en Asser courant 24-09-1959

1968: Brief d.d. 8 april van Van Vulpen aan de kerkvoogdij van Westerbork. Bij het bezoek van de stemmer dat het orgel zeer heeft geleden aan de droogte van het kerkgebouw tijdens het stookseizoen. Het is provisorisch weer hersteld.
Graag contact opnemen met Erné omtrent herstel.
Op 30 april vraagt de kerkvoogdij Erné om raad omtrent de ontstane situatie.
Op 4 mei schrijft Erné dat hij graag adviseert en stelt voor een rapport te maken en de subsidiemogelijkheden te onderzoeken.
Op 29 oktober verzoekt de kerkvoogdij Erné stappen te ondernemen voor de restauratie.
Op 18 november bentwoordt Erné de brief van 19 oktober en vraagt of er inventarislijst is van het archief. Ook wil hij weten of het archief in Assen of Westerbork is. Een voormalig predikant zou een stuk hebben geschreven over de kerk. Is dit bekend?
Aantekeningen door de kerkvoogdij van Westerbork?
 - De documenten van hulppredikant zitten in de kluis.
 - De subsidie aanvragen uit 1952 en 1953 zitten deels in het lopende archief en deels in de rekeningstukken van 1952 en 1953.
 - Als het contract met Van Vulpen niet in het lopende archief zit, zou het aanwezig kunnen zijn bij de orgelcommissie.
 - Het stuk waar Erné op doelt zal een krantenartikel zijn. Dis zit ook in het archief.
 - Het orgel staat niet op de voorlopige monumentenlijst. Dhr. G.C. Helbers (directeur van het Drents museum tot 1967) heeft er voor gezorgd dat het bekend is bij monumentenzorg. (13)

1969: Op 3 juni schrijft D. Deinum aan Erné dat het orgel in 1951 is gerestaureerd. Hij sluit enkele documenten over het orgel in.
Als antwoord op de brief van 3 juni een niet complete brief van de HOC? waarin opeens wordt geschreven dat het orgel rond 1900 zou zijn aangekocht. Er wordt weer gevraagd om inzage van het archief.
Blijkbaar is men de resultaten van het archeifonderzoek kwijt geraakt. (13)

1981: Op 2 april brengt de HOC een rapport uit over de toestand van het orgel.
Het orgel wordt gedateerd in de 2e helft van de 18e eeuw. Factuur wijst op een orgelmaker uit het noorden van Nederland. Het orgel is nog behoorlijk oorspronkelijk. De toestand van het orgel is slecht. Oorzaak is uitdroging door de heteluchtverwarming. Het pijpwerk is aan de bovenranden zeer beschadigd. Het is zeer zinvol het orgel te restaureren mits de verwarming sterk verbeterd. Binnekort verder onderzoek van het orgel door Aart van Beek en O.B. Wiersma. De  toonhoogte van het orgel is een halve toon boven normaal. Dit zou kunnen worden opgelost door een oplegklavier.
Op 12 oktober wordt er een taakomschrijving van de orgelcommissie gemaakt. Voornaamste doel is de financiering van de restauratie. Ook begeleidt de commissie de restauratie en zorgt voor de installatie van een beter verwarmingssysteem. (14)


1982: Artikel in het Reformatorisch Dagblad 18 december 1982



Krantenbericht uit onbekende krant.


Op 8 mei stuurt Klaas Bolt de offerte van orgelmaker Albert de Graaf door naar de kerkvoogdij. De kosten worden begroot op ca. f 150.000,-
Op 18 juni maakt de directeur van Monumentenzorg Drenthe dhr. Corneille F. Janssen een raming voor het verbeteren van het orgelbalkon. De kosten worden geschat op f 16.250,- De omschrijving van de werkzaamheden is nogal vaag, waardoor niet duidelijk is of iets betrekking heeft op de balustrade of op het orgel.
Uit dit jaar dateert ook een flyer voor de financiering van de restauratie. Deze flyer maakte deel uit van een aktieplan (klad).
Op 9 december stuurt Klaas Bolt informatie met een vergelijking van restauratieprijzen omgerekend naaar een prijs per register. (14)

1983:
Op 2 februari gaat er een aanvraag voor subsidie naar het Prins Bernardfonds. Men zoekt financiering voor de nog ontbrekende f 35.000,- Op 15 februari gaat er een soortgelijke brief naar het W.A. Scholtens fonds. In deze brief wordt ook de kerkrestauratie meegenomen. Ook het Kammingafonds wordt aangeschreven.
Op 10 maart bedankt de kerkvoogdij het Prins Bernard fonds voor de subsidie van f 18.000,-.
Er worden concerten georganiseerd ten bate van de restauratie. Een voorbeeld is een concert op 6 april door het Wiener Schubert-duo.
Op 24 juni schrijft Klaas Bolt aan de kerkvoogdij het geen zin heeft op basis van de afwijzing van de subsidie op 16 januari met een meer gedetailleerd plan te komen. De rijksadviseur orgelzaken O.B. Wiersma wordt door Bolt op de hooget gehouden van alle ontwikkelingen in Westerbork.
In juni een conceptbrief aan Monumentenzorg met daarin een specificatie van alle kosten.
Op 3 juli stuurt Klaas Bolt de offerte van De Graaf naar de kerkvoogdij. In de bijbehorende brief meldt Bolt dat hij archiefonderzoek heeft gedaan, maar daar niets extra's heeft gevonden. Wel is nu wel bekend wie het orgel van 1726-1860 hebben onderhouden. Ook is een wapen bijgesloten van de familie Schwartzenberg. Waarschijnlijk heeft dit in de balustrade in Beetgum gestaan, maar het is helaas niet meer aanwezig. De offerte bestaat uit 2 gedeelten. In het ene gedeelte een volledige restaurtie en in het andere gedeelte een minimale restauratie om het orgel weer goed bespeelbaar te maken.
Speciale posten betreffen het pijpwerk. Het pijpwerk wordt verlengd.  Het pijpwerk uit 1951 blijft gehandhaafd, maar wordt aangepast aan de intonatie van het oude pijpwerk. Het 1 1/3 voets koort van de Sesquialter wordt verschoven naar 2/2/3. De bovenste pijpvelden van het front worden niet aangesloten als dubbelkoor van de Prestant 8'.
Op 23 augustus wordt een subsidieaanvraag gedaan bij het orgelfonds Mooy.
Op 1 september dankt de kerkvoogdij de vrouwenverenigingen van Westerbork, Elp, Witteveen en Orvelte voor de acties die zij hebben gehouden. Er is nu voor de derde keer een bedrag geschnken. Het laatst bijgedragen bedrag is f 6.000,-
De kerkenraad heeft inmiddels besloten dat de restauratie in 1984 kan beginnen.
Van 18 augustus dateert een notitie van Klaas Bolt van een gesprek dat hij had met orgelmaker Albert de Graaf. In het late najaar van 1983 heeft hij tijd. Slapen in de pastorie is accoord. Voor 1984 nog geen werkzaameden gepland.
Hij heeft een leenorgel beschikbaar dat in een halve dag opgebouwd kan worden. Bij de restauratie blijven de kas en het pijpwerk in Westerbork en worden ter plekke gerestaureerd.
Op 22 augustus vraagt de kerkvoogdij bij Monumentenzorg aandacht voor de restauartie. Op een totaalbedrag van f 178.000,- is er nog een tekort van f 36.000,-. is er een restfinanciering mogelijk?
Op 1 september wordt er beslist over gunning van de restauratie.
Van 1 september dateren ook twee niet geraliseerde tekeningen van het interieur van de kerk. (14)

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Klaas Bolt wordt aangetrokken als adviseur en schrijft in september 1983 een rapport.
Archiefonderzoek levert op dat het orgel door Christiaan Müller en Schwarzburg in 1862 is gebouwd voor de Hervormde kerk van Beetgum.
Het orgel is gebouwd met gebruikmaking van veel materiaal uit de 17e eeuw. Het meeste pijpwerk dateert uit de 17e eeuw. Het orgel had oorspronkelijk een kort octaaf.
Müller bouwde het kort octaaf om naar een volledig octaaf. Dit is af te lezen aan de factuur van nieuwe door Müller toegevoegde pijpen in het groot-octaaf.
Hiervoor moets ook een nieuwe windladen en een nieuwe klaviatuur gemaakt worden.
Bij de restauratie door Van Vulpen in 1951 werd de Viola da Gamba van Van oeckelen vervangen door een Sesquilter discant. Het orgel werd geherintoneerd op een lage winddruk en grotere voetopeningen en kernspleten werden vernieuwd. Ook veel delen van de tractuur werden vernieuwd. Door de heteluchtverwarming verkeert het orgel nu in een zeer slechte staat.
Verdere details zijn te lezen in het rapport.
Op 10 september vraagt de kerkvoogdij aan de HOC hoe de vergoeding aan de HOC functioneert als het orgel wordt gerestaureerd voordat de subsidie is uitgekeerd.
op dezelfde datum bericht de kerkvoogdij aan de HOC dat ze de restauratie willen starten ondanks het financierungtekort. Orgelmaker is Albert de Graaf en orgeladviseur Klaas Bolt. Verzocht wordt om toestemming van de HOC.
Op 1 oktober wordt de f 178.000,- bereikt, die men nodig heeft voor de financiering van de restauratie. (14)

Ongedateerde foto uit deze tijd (14)

1984: Op 5 maart beschrijft de kerkvoogdij de stand van zaken voor de rijksdienst voor de Monumentenzorg. In dit stuk wordt genoemd dat de Rijksdienst een restfinancieringssubsidie voor de restauaratie van het orgel heeft toegekend. Om het orgel in de toekomst beter te beschermen zal een vloerverwarming worden aangelegd. Door de restauratie van het orgel zal er ook timmerwerk aan de balustrade en de balgenkast moeten worden verricht. De sloop van het predikantshok zal door vrijwilligers worden verricht. De kosten voor het inisten van het orgel vallen lager uit omdat het binnenwerk van het orgel is opgelagen bij de orgelmaker. (14)

1983-1987: Restauratie door Albert H. de Graaf
Ten behoeve van de kerkrestauratie werd het orgel, dat vrijwel onbespeelbaar was geworden, in 1983 gedemonteerd. De eigenlijke restauratie, uitgevoerd door orgelmaker A.H. de Graaf onder advies van Klaas Bolt vond plaats in 1986-'87. (08)


Albert de Graaf aan het werk in Westerbork. Foto Beeldbank archief Drenthe

Op 1 oktober 1987 vond de ingebruikname plaats, waarbij Klaas Bolt het orgel bespeelde. 


 

De restauratie omvatte de volgende werkzaamheden:

Beschrijving van het orgel door Jan Jongepier (08)
Hoewel aan de ene kant typerende Müller-trekken zoals de zevendelige frontstructuur en de deling van de tussenvelden in drieën niet aanwezig zijn (waardoor het orgel waarschijnlijk ook nooit als een werk van Müller is herkend), zijn er anderzijds toch wel veel kenmerken in het front aanwijsbaar die Müllers auteurschap en de bouwtijd bevestigen. Het spreekt vanzelf dat het Leeuwarder Müller-orgel daarbij dan als referentiepunt optreedt. Het orgel van Westerbork heeft een vijfdelige frontstructuur met zeven pijpen per toren en gedeelde tussenvelden met elk zes pijpen. De frontpijpen bezitten rond ingeritste labia die verguld zijn. Zijbaarden zijn niet aanwezig.




De in 1953 aangebrachte tinfoelie is bij de thans uitgevoerde restauratie gehandhaafd. Overeenkomsten met Leeuwarden zijn vooral aanwijsbaar in de vorm van de kappen van de drie torens, met name de profilering daarvan, en in de vormen en motieven van het blinderingssnijwerk. Uiteraard is het zo, dat overeenkomst van stijl, in dit geval Régence, vanzelf tot congruentie van vormen en motieven leidt. In dit geval gaat het dan om banden, omrankt met blad- en bloemmotieven, ruitwerk en C-voluten. Maar binnen dat vaststaand gegeven is toch een opmerkelijke overeenkomst in de hoofdvorm en uitvoering te zien, bijvoorbeeld in de vleugels, vergeleken met de vleugels van het Rugwerk te Leeuwarden. Ik moet er direct aan toevoegen dat er ook verschillen zijn. Zoals de curieuze oplossing tussen de spitskappen en de middentoren: het blinderingssnijwerk boven de bovenste tussenvelden met C-voluut en ruitwerk, met, los daarvan, boven de profiellijst van de kap de elegante verbinding tussen spitskap en stijl van de middentoren. Ook opvallend, en afwijkend van Leeuwarden is het onderste detail van de vleugels, een minuscuul draperietje met kwastjes. Generaal gesproken is het blinderingssnijwerk van Westerbork bovendien grilliger, consistenter en beheerster dan dat in Leeuwarden.

De kas
De gehele kas is van eiken. Alleen het onderste zetluik in de achterwand is van vuren. Verondersteld wordt, dat in 1726 delen van een oudere kas gebruikt zijn, ingepast in het Müller-concept. De 87 cm diepe kas is geschilderd in een fraaie, ingehouden rode tint (ongeveer overeenkomstig de kleur van Leeuwarden) waarbij de vleugels en blinderingen verguld zijn. De onderkas is eenvoudig van constructie. Er zijn vier stijlen aan de voorzijde, de buitenste vakken zijn verdeeld in twee panelen met een profiellijstje, in het middelste vak zijn klaviatuur, lessenaar en knieschot geplaatst. Knieschot en lessenaar zijn met kleine metalen schuifjes vergrendeld (evenals in Leeuwarden).
Curieus zijn de bolle hoekprofielen op de hoeken van de buitenste stijlen.
De achterwand zit, in verhouding tot de simpele structuur van het orgel, tamelijk gecompliceerd in elkaar: gescheiden door tussenregels zien we van onder naar boven: een zetluik (ruimte onder walsbord), twee deuren (bij walsbord), een losse plank over de gehele breedte (bij ventielkast), een dubbel scharnierend stemluik over de gehele breedte, met ringen aan haken te bevestigen (in hoofdzaak voor stemmen Trompet) en tenslotte zetluiken in het bovenste gedeelte.




Klaviatuur

Wat bij het klavier natuurlijk in de eerste plaats opvalt is de prachtige uitvoering van de bakstukken. Ze zijn in twee opzichten zo bijzonder. In de eerste plaats, omdat het unica zijn en onverwacht van vorm binnen het Müller-kader. Of die verwachting terecht was, valt te bezien. Alleen de bakstukken van het Bavo-orgel zijn originele exemplaren, daarnaast zijn enkele authentieke klavieren met bakstukken van kabinetorgels bekend. Maar omdat die kabinet-orgelbakstukken toch varianten van het Bavo-thema zijn, evenals authentieke bakstukken van Pieter Müller (Hoorn, 1773, Ev. Luth. kerk), en J. H. H. Bätz, is het verwachtingspatroon ontstaan, dat alle orgels van Müller wel iets in dié geest gehad zullen hebben. Weerspreken de bakstukken van Westerbork die gedachte? Misschien wel. Maar er zijn er ook die menen (en dat is dan het tweede bijzondere element), dat deze bakstukken niet uit 1726 kunnen zijn. De grillige vorm waarbij de bladmotieven naar schuimwerk neigen lijkt inderdaad niet in overeenstemming met het bouwjaar en de thema's van het blinderingssnijwerk. Geen enkele Post van de onderhoudsbetalingen wijst echter op ingrijpend herstel of verfraaiing. Ook passen de bakstukken niet in het stijlbeeld van 1792, noch in de stijl van het huis Van Gruisen. Behalve de beschreven bakstukken omvat een zware ebben geprofileerde onderlijst het klavier, in deze vorm is wel degelijk de hand van Müller te herkennen. Het klavier bezit ivoorbeleg op de ondertoetsen, gelijmd, twee delen per toets. De bruine houten boventoetsen hebben dun ebben beleg. Toetsmaten: totale lengte 11,2 cm, voorste deel 3,8 cm, boventoets onderaan resp. bovenop 7,1 / 6,8 cm. De frontons zijn van lichtbruin hout, iets gewelfd (niet geprofileerd). Er is een eiken pedaalklaviertje van 15 toetsen. Het raam meet 65,6 x 47,7 cm, de boventoetslengte is 7,5 cm. Het orgel heeft een oud grenen orgelbankje, aardig model, zwart geschilderd. De registerknoppen zijn origineel, bruin, ongeschilderd hout, kort model knop. De registeropschriften staan op witte houten tabletten, letters zwart, kapitaal, romein, met schreef. Aanduidingen voor Bas en Disc. ontbreken bij halve of gehalveerde stemmen.




Windvoorziening
Achter het orgel staat een balgenkas waarin drie oude spaanbalgen zijn opgesteld. Aan de noordzijde zijn de drie treden aangebracht. Van de balgenkas gaat een hoofdkanaal naar het orgel, over de vloer. Hierop in de onderkas een kastje met een inliggende Tremulant. Vervolgens een aftakking naar C- en Cis-kant, elk met een eigen Afsluiting, die tegelijk door één knop bediend worden. Tenslotte de eiken kanalen naar de lade. Alle kanalen en overige delen zijn van eiken.

Windlade
De windlade is van eiken. Ongedeelde lade, met desondanks twee kanaalingangen. Stokken en roosters zijn ook van eiken. De ventielkast heeft twee inliggende voorslagen, vastgezet met ijzeren klemmen. De cancelindeling is: b0 fs0 B Gs c0 e0 gs0/c1-c3/Fs E D C Cs Ds F/h2-es'/a f cs0A G H ds0 g0 h0.





Mechanieken
Voor het pedaal is er een eiken walsbord in mooi gebogen vorm, walsen grenen, nokken eiken, armen eiken. Het Manuaal bezit een eiken walsbord, eiken walsen in eiken nokken, armen van ijzer. In de nokken rode kernlaken invoering, gehandhaafd werk uit 1953. Tussen klavier (eiken staartklavier) en walsbord twee eiken winkelbalken met messing winkelhaken, nieuw. Horizontale abstractuur oud, eiken, verticale abstractuur nieuw, eiken. Draadwerk nieuw. In de onderkas zijn, onder de registerknopen, merkwaardige 'vloertjes' aangebracht, grenen. Staande walsen draaien hierin, klampjes voor horizontale walsen zijn hierop bevestigd. Alle walsen zijn van eiken, achtzijdig. Staande walsen bezitten ijzeren armen, liggende walsen eiken armen. De sleep-bevestiging is uiteraard aan de zijkanten van de lade. Ter plekke zijn ijzeren hefbomen aangebracht in een grenen regel met as. Waar de hefboom door de sleep heen steekt, is de sleep met een messing plaat versterkt.






De dispositie luidt (volgens nomenclatuur aan de klaviatuur).

Praestant 8 voet C en Cis binnen, metaal, open, rond ingeritste labia, zijbaarden; D-b1 in het front, waarvan h0-b1 in de tussenvelden, dubbel (onderveld en bovenveld gelijke tonen), h'-c3 op de lade, dubbel
Roerfluit 8 voet Geheel metaal; grootste pijpen 1726, rond ingeritste labia, zijbaarden; omdat papier bij hoeden vergaan was en de losse hoeden zeer ruim zijn is nieuw afsluitmateriaal aangebracht. Modern materiaal op katoenbasis
Octaaf 4 voet   
Quint 3 voet b/d Gewreven labium, geen belijnde vorm, losse hoeden, zijbaarden
Octaaf 2 voet  
Sexquialter III sterk Pijpwerk 1987; samenstelling: c1= 2 2/3, 1 3/5, 1 3/5 voet
Mixtuur III sterk Grotendeels oud pijpwerk, samenstelling hersteld in 1987, hier en daar aangevuld met pijpwerk uit 1987; samenstelling:
C: 1, 2/3, 1/2
C0: 1 1/3, 1, 2/3
g0: 2, 1 1/3, 1
c1: 2 2/3, 2, 1 1/3
f1: 4, 2 2/3, 2
Trompet 8 voet b/d Stevels en koppen eiken, om de stevels een perkamenten band met de toonhoogteletters, nieuw aangebracht in 1987, messing kelen, iets schuin aan de onderkant, tongmateriaal grotendeels oud
Tremulant    
Windlosser    
 



Gewassen inkt tekening door Maarten 't Hart, Balkbrug. Gemaakt in 1997.



Enkele algemene kenmerken van het pijpwerk
Uitgezonderd frontpijpen en grotere binnenpijpen lijkt alle labiaalpijpwerk ouder dan 1726 te zijn. Het pijpwerk heeft een donkere metaalkleur, een hoog loodgehalte maar een dunne wand en is derhalve toch licht van factuur.
Nergens is een belijnde labiumvorm te zien, behalve bij grotere pijpen uit 1726. Toonhoogteletters meestal aan de voorkant, maar ook bij de kruising van soldeernaden, rechts.
Op veel (alle?) pijpen een cancelnummer, zoals we uit het werk van Schwartsburg kennen.

Indruk
Bij het orgel van Westerbork is toch echt wel sprake van een 'Doornroosje'-geval. Het afdankertje, dat tengevolge van een totaal gebrek aan financiële middelen alle stormen overleefde en 'het haalde'. Friesland heeft in de welvarende 19de eeuw immers weinig respect getoond voor de roem van de uit andere streken afkomstige orgelmakers Schnitger en Müller, en de kwaliteit van hun werk als niet passend in de tijdgeest verworpen. Schnitgers werk verdween daardoor bijna geheel, van Müller ging het charmante orgel van Menaldum in 1861 spoorloos ten onder en verloor het Leeuwarder orgel gedurende 10 opeenvolgende Van Dam-restauraties (tussen 1802 en 1928) balgen, manuaalladen, klaviatuur, mechanieken en meer dan de helft van het pijpwerk. Wanneer dan een werk van deze Müller onverwacht gelokaliseerd kan worden, en zó compleet, in technisch opzicht, bewaard blijkt te zijn, is er toch sprake van een verrassing van formaat. De nu uitgevoerde restauratie heeft bewerkstelligd, dat ondanks verschuivingen, verplaatsingen en ander gepruts ook het klankbeeld van dit gave orgel kon worden teruggewonnen. Ik moet er hier aan herinneren, dat slechts weinig pijpen van Müller/Schwartsburg zijn. Het merendeel is ouder.  

Tóch kan worden gehoord, dat er sprake is van een Müller-concept. Wat we als kenmerkend voor Müller hebben leren onderscheiden, een intensieve, in de hogere prestant-registers snijdende klank met een zeer grote versmelting in het plenum, is ook hier aanwezig.
Vooral de Quint 3 vt disc. en Octaaf 2 vt dragen tot dat snijdend karakter bij, de Mixtuur is door zijn samenstelling, het gering aantal koren en de intonatie in zichzelf milder.
Opvallend is de bereikte perfectie in versmelting tussen Mixtuur en Sexquialter wanneer ze samen worden gebruikt met de grondstemmen.
Bijzonder is de klank van de Roerfluit 8 vt: een duidelijk Roerfluit-karakter, maar daarnaast vooral vol met een meditatieve ondertoon.
De Roerquint 3 vt werkt heel overtuigend als versterker van de grondtoon.
Met de Trompet is het merkwaardig gesteld. Alleen beluisterd overtuigt het register allerminst. Een scherpe, wat kelige è-klank die te weinig evenwicht met de grondtoon lijkt te hebben. Maar in combinatie met plenumregistraties gebeurt er iets wonderlijks. De boventoonrijkdom van de labiaalstemmen grijpt samen met die van de Trompet en de duidelijke grondtoon van de grondstemmen vult dat gebrek bij de Trompet aan.
Desondanks zal nog wat aan details gewerkt worden, met name aan de sterkte van het klein octaaf. Ook een onwillige frontpijp (eis') heeft nog de aandacht.
Dit bereikte klankbeeld is echter allerminst vanzelfsprekend tevoorschijn gekomen. Daarom is groot respect op zijn plaats voor het minutieus gepuzzel, de kennis van en het begrip voor het Müller-klankbeeld, en het vakmanschap om dit alles weer hoorbaar te maken.


Bericht uit het tijdschrift Kerk en Muziek 1988-04, waarbij het jaartal 1800 1726 moet zijn en Beetsterzwaag moet worden vervangen door Beetgum.


Reformatorisch Dagblad 30 oktober 1987
Drents Müller-orgel in ere hersteld
„Aardig orgeltje" bleek een belangrijk historisch instrument
„Ik ben weliswaar organist van het grootste Müller-orgel in ons land, maar vanavond bespeel ik toch met groot plezier het kleinste orgel van orgelmaker Muller". Aldus Klaas Bolt onlangs in het Drentse dorpje Westerbork, waar het orgel van de hervormde gemeente na restauratie weer in gebruik werd genomen.
Het orgel van Westerbork is een bijzonder orgel. Voor de restauratie werd altijd gezegd: „Een aardig instrument, uit ongeveer 1800". Daarmee was alles gezegd. Over de geschiedenis van het orgel was eigenlijk niets bekend.
Toen echter Klaas Bolt, in 1983 door orgelcommissie en kerkvoogdij als adviseur aangesteld, advies moest uitbrengen voor een eventuele restauratie, kwam aan het licht dat het orgel zeker ouder moest zijn dan 1800. Kas, pijpwerk en windlade gaven alle aanleiding om dat te denken.
Van Oeckelen
Nader onderzoek bracht het volgende aan het licht: Het orgel werd in 1862 aan Westerbork geleverd door de orgelmaker Van Oeckelen uit Harenermolen. Deze bouwde in 1861 een groot twče-klaviers instrument voor de hervormde kerk van Beetgum in Friesland, waarbij volgens het contract het oude instrument moest worden ingenomen. Pas nu kwam aan het licht dat Van Oeckelen in Westerbork destijds het uit Beetgum afkomstige orgel heeft geplaatst. Dat betekent bovendien dat dit orgel uit de werkplaats komt van niemand minder dan Christiaan Muller.
De historische waarde van het orgel was daarmee onomstotelijk vastgesteld. Deze waarde zou overigens nog vergroot worden, want bij nadere bestudering bleek dat Muller destijds veel pijpwerk heeft gebruikt dat van veel oudere datum was. De aanvullingen die hij aanbracht, vertonen de karakteristieken van zijn hand. Er kwam kennelijk wel een nieuwe windlade en een ander front. Ongetwijfeld heeft Van Oeckelen destijds bij de overplaatsing enkele wijzigingen aangebracht.
In 1953 werkte Van Vulpen nog aan dit orgel, maar in 1983, toen een begin werd gemaakt met de kerkrestauratie, was het orgel in dermate desolate toestand, dat aan een algehele restauratie niet te ontkomen viel.
Restauratie
Orgelmaker De Graaf uit Leusden werd uitgezocht om de klus uit te voeren. Van meet af aan stond vast dat de volledige restauratie op authentieke wijze zou worden uitgevoerd. Deze is thans voltooid. We hebben door middel van een toelichting van Klaas Bolt, die het orgel uitvoerig op de hem kenmerkende wijze demonstreerde, een uitstekende indruk van dit orgel en zijn restauratie gekregen.
Het geheel straalt een zekere deftigheid uit, anderzijds klinkt het instrument wat afstandelijk. Het heeft een schitterend prestantenkoor en prachtige vulstemmen. De Roerfluit daarentegen klinkt wat oubollig, terwijl de Trompet, vooral in het hoge register, enigszins benepen klinkt. Dat neemt niet weg dat orgelmaker De Graaf zich hier heeft ontpopt als een kunstenaar die alle lof verdient voor de wijze waarop het historische orgel van Westerbork weer tot klinken werd gebracht. Aan het Drentse orgelbezit in het bijzonder en het Nederlandse orgelbezit in het algemeen is opnieuw een pareltje toegevoegd.
Dispositie
Praestant 8'' discant dubbelkorig. Roerfluit 8'', Octaaf 4'', Roerquint 3'' bas, Quintprestant 3'' discant, Sexquialter discant, Mixtuur, Octaaf 2'', Trompet 8'' gehalveerd. Tremulant.


Bronnen

  1. Beide bestekken in: Archief Hervormde Gemeente Beetgum (Rijksarchief Leeuwarden), mv. nr 83
  2. Rijksarchief Leeuwarden, Schwarzenberg archief inv nr. 2994 en 2996<
  3. Ibidem, nr. 3001
  4. Archief Hervormde Gemeente Beetgum (Rijksarchief Leeuwarden), Rekeningboek1738-1810,iny. nr. 110; Rekeningboek 1811-1858,inv.nr. 111
  5. Enkele details omtrent de restauratie van 1953, en meer bijzonderheden omtrent de jongste restauratie verkreeg ik mondeling van de heer A. H. de Graaf te Leusden
  6. Boek: Het historische orgel in Nederland 1726-1769 blz. 39-41
  7. Tijdschrift: Het orgel 1983/01 Orgelbouwnieuws
  8. Tijdschrift: Het orgel 1988/01 Het orgel in de Hervormde kerk te Westerbork door Jan Jongepier.
  9. Tijdschrift: de Mixtuur 60 juni 1988 Kroniek
  10. www: http://reliwiki.nl/index.php?title=Westerbork,_Hoofdstraat_12_-_Stefanus
  11. "Ut de smidte" juni 1978 (12e jaargang, no. 2) Notitie door S. ten Hoeve in de rubriek ‘Fynsten en fragen’
  12. De Mixtuur nr. 26: Meindert van der Galiën: Müller en Schwartsburg - vondsten en vragen
  13. Archief Lambert Erné
  14. Drents Archief 402-119 Correspondentie met de orgelcommissie; 1982
Van Oeckelen-orgel te Beetgum


Foto Geert Jan Pottjewijd


Foto Geert Jan Pottjewijd De kerk van Beetgum